Overslaan en naar de inhoud gaan
x
André Goezu

Geborgen Verborgen : een portret van Vlaamse kunstenaar André Goezu

André Goezu is in Antwerpen geboren, maar heeft sinds tientallen jaren een kunstenaarsatelier, zijn “oase van rust”, in hartje le Marais. "Als Franstalige Antwerpenaar heb ik het nooit raar gevonden om naar Parijs te verhuizen. Het was als het ware mijn geschiedenis: Molière, Voltaire, Rimbaud: ik kende hen en voelde me dankzij de literatuur en dankzij mijn opvoeding nooit een vreemdeling in deze wereldstad."

 

Ik ontmoet André Goezu in zijn atelier de peinture in Le Marais. De vroegere joodse buurt, waar nog steeds joden met hoge zwarte hoeden en lange baarden rondlopen om op de shabbat naar de orthodoxe synagoge in rue Pavée te gaan. Goezu's atelier ligt wat verborgen achter een nietszeggende deur naast een Vietnamees restaurant. Maar eens de deur geopend is en hij me naar de binnenkoer leidt, verandert alles. De stilte, de doeken, de gravures, de inktpotten. "Een honderdtal jaar geleden was dit een paardenstal", vertelt hij, terwijl hij een hoefijzer van een van de houten steunpalen haalt. "Dit heb ik gevonden toen ik het atelier wat aan het opknappen was. Ik hou het bij als geluksbrenger." Toen de paarden plaats maakten voor de auto, werd de stal een glasfabriek. "Kijk maar op de grond, je kan nog sporen zien van de bouten waar de machines aan gevezen zaten." De vloer van zijn atelier is ook niet recht. "Mocht ook niet, anders kon het vele water dat nodig was voor het maken van glas niet afvloeien." Vroeger hadden veel artisans hun werkplek in de Marais. "Kleren, bijouterie, kleine ijzerfabrieken. Les petits artisans. Heel veel joodse artisans fourreurs waren heel bekwaam in het pels maken, want ze kwamen van Polen en Rusland. De hoeden van de orthodoxe joden, die ze bij bepaalde feesten dragen, zijn een soort draaiende fourrure. Maar met de oorlog is bijna alles verdwenen." Na de stal en de glasfabriek kwam een houtbewerker in het huidig atelier van Goezu werken.  Nu staat bij de ingang van zijn werkruimte een drukpers. Hij houdt van zijn werkplek, zijn zestig vierkante meter stilte, hoewel hij wel altijd naar klassieke muziek op de radio luistert terwijl hij werkt.

Atelier 410

andré en geert"Toen ik hier in Parijs toekwam in 1968, leefde ik in een soortgelijk atelier van veertig vierkante meter." André was 28 jaar toen hij een beurs kreeg om een jaar lang in de Cité Internationale des Arts te verblijven. "Toen had de Belgische staat er een atelier. Atelier 410, benoemd de la reine Elisabeth." Ondertussen heeft de Art Deco afdeling van Parijs het atelier overgekocht, maar België bezit daar nog steeds een werkplek voor kunstenaars. André woonde in atelier 410, schilderde er, maar om zijn etsen te drukken ging hij naar een ander atelier. "In de Cité moesten we een drukpers delen met een tiental kunstenaars. Dat ging moeilijk." De Parijzenaars kenden de Vlaamse kunst toen amper. "Voor hen waren we les Boches du Nord. De Duitsers van het noorden.  Maar beetje bij beetje, net dankzij onze kunst, slaagden we erin om bekender te worden. Na een paar jaar besloot Vlaanderen zelfs een atelier te kopen op de Cité Internationale des Arts: het atelier James Ensor. Zo konden er meer Vlaamse artiesten in Parijs verblijven." Dat kunnen ze nog steeds. Al snel vond Goezu een galerij waar hij zijn werken kon tonen aan het publiek. "Dit was toen al zeer belangrijk, zowel om mijn werk te verkopen als om ervoor te zorgen dat kunstcritici mijn etsen konden zien en recenseren." Hij verhuisde daarna naar het vlakbij gelegen Ile Saint Louis, midden in de geschiedenis van Parijs.

Gebroken bomen

Toch zijn het niet de helden van het verleden die hij in zijn werk laat verschijnen. Het is de natuur. Bomen komen dan ook vaak terug. Gebroken bomen wel. Hij was drie toen hij als kind van Belgische joden opgepakt werd en naar de Dossinkazerne vervoerd. Met zijn ets Zachor vertelt hij eigenlijk zijn verhaal. "De kinderen op de ets, dat zijn wij. Mijn broer, mijn zus en de mensen die me verborgen hebben. Gered hebben in feite. Sauver. Boven ons staat de moeder die ons bescherming geeft. Mijn moeder heeft het overleefd, mijn vader is … laat ons zeggen naar Auschwitz verplaatst en nooit terug gekomen. In die vrouwenfiguur, die beschermingsfiguur zie je ook een boom. Een boom is iets noodzakelijks in ons leven. Hij heeft wortels, wat wij ook hebben, hij heeft een stam, wat wij zelf zijn, en hij heeft een toekomst, dat zijn de blaadjes en takken die verder de lucht in groeien. Daarom heb ik de moeder met een boom geassocieerd. De toekomst, de vruchtbaarheid, de bladeren, bloemen die ons beschermen." Op zijn werk staat ook een datum, 1941. "Toen werden de joden stilletjes aan naar de Dossinkazerne vervoerd." Goezu heeft er een tijdje gezeten en is daarna vrijgelaten. "Een boerengezin heeft ons onderdak gegeven. We mochten op de boerderij rondlopen, maar spreken deden we amper. Ik toch niet. Met mijn zwart haar viel ik op. Oudere Duitse soldaten kwamen langs op het erf om eieren te halen. Ze vroegen zich dan af wat ik er deed. Mais il est de qui cet enfant? Ik zweeg." Eigenlijk herinnert hij zich zelf niet veel meer van die periode. Het is Godelieve, de kleindochter van de boerin bij wie hij verbleef, die hem veel heeft kunnen vertellen over zijn vroege kindertijd. "Ze zei me dat ik veel tekende. Ik was eenzaam, maar bij de bomen en de natuur in de omgeving van Wuustwezel kon ik rust vinden." Over deze periode van zijn leven stelt hij nu tentoon in de Dossinkazerne.

Verschillende platen

andre kunstwerkNa de oorlog kwam Godelieve met de familie van André mee naar Antwerpen. Daar volgde Goezu lessen aan de Koninklijke Academie en aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten. Hij ruilde na een tijdje zijn tekenpotlood in voor een etsnaald. Koperetsen met of zonder aquatint. "Aquatint geeft meer een soort tussentoon, terwijl je bij een gewone ets van zwart naar grijs gaat. Je kan met aquatint verschillende tonaliteiten hebben." Voor Zachor werkte Goezu met twee platen: een bruine voor de tekening en een blauwe met aquatint om de boom in de figuur van de moeder te krijgen. "Ik start van een lege plaat. Daar kras ik lijnen in, soms met de vrije hand, maar dat is redelijk moeilijk. Daarom gebruik ik een zuurbad, zodat mijn lijnen dieper zijn en de inkt er zich beter in de groeven kan nestelen. Daarna druk ik meerdere platen op elkaar. Zo krijg ik een verschillende kleurencombinatie." Hij toont het me. Het ininkten van de koperen plaat met zwarte inkt uit een witte pot. Het nat maken van het papier "zodat de inkt beter blijft plakken aan het papier." Het door de pers halen om daarna het resultaat te zien. Alle lijntjes uit de plaat als een spiegel op een blad. Alle imperfecte perfecties, alle groeven.

Verborgen tuinen

Goezu ziet het joods zijn als een manière de vivre, een way of life. "Ik ben jood omdat mijn vader het was en hij er niet meer is." Naar de synagoge gaat hij niet "behalve voor Yom Kippour." Hij keerde terug naar de Dossinkazerne, tijdens zijn militaire dienst. "Een nacht mocht ik wacht staan. Toen groetten generaals me en andere officieren. Mij. Die een paar jaar ervoor als een kleine rat uit de kazerne heb kunnen ontsnappen." Waarom hij niet naar Auschwitz moest gaan, weet hij nog steeds niet. "Er wordt gezegd dat in het begin de Duitsers enkel apatride joden wilden deporteren. Dat koningin Elisabeth ervoor heeft gezorgd dat de Belgische joden voor een zeer korte tijd veilig waren. Maar of dit waar is blijft een raadsel." Voor ik hem achterlaat in zijn atelier, wil hij me graag nog zijn buurt tonen. "Kijk", zegt hij. Tussen de zwarte hekken op de benedenverdieping van een van de grote herenhuizen kan ik nog net een tuin zien. "Zo waren er vroeger veel, verborgen groene plekken die enkel door de bewoners van de huizen werden bezocht."

Archivist

Hij wil me nog graag meenemen buiten de Marais, naar het werk van een van zijn vrienden: Walter Spitzer. "Hij was veertien toen hij opgepakt werd en naar Auschwitz werd gestuurd. Gelukkig voor hem kon hij goed portretten tekenen. Dat werd zijn redding, want vele Duitse officieren hadden graag dat schilders een portret van hen maakten. Dankzij zijn kunst overleefde hij het concentratiekamp en kwam hij na de oorlog in Parijs terecht." We nemen de metro tot de Eiffeltoren. Halte Bir-Hakeim, boulevard de Grenelle. Een enkele wegwijzer wijst de weg. Naar links, weg van de Eiffeltoren. Daar staat het beeldhouwwerk. Kinderen met een pop, oudere mensen die elkaar vasthouden, een vrouw die bovenop haar valies zit. 16 en 17 juli 1942. La rafle du Vélodrome d'Hiver. Franse politieagenten die in de Marais joden kwamen ophalen om hen naar de vélodrome te brengen. Vrouwen en kinderen inbegrepen. Vooral vrouwen en kinderen, want joodse mannen hadden gedacht dat hun gezinnen gespaard zouden worden en waren zelf ondergedoken.  "De politie zei zelf tegen de joden dat ze hun sleutels niet mochten vergeten. En dat terwijl zij goed wist dat ze nooit meer naar huis terug zouden kunnen gaan." Nog steeds wordt de razzia herdacht als een van de donkerste bladzijden in de geschiedenis van de Franse staat. De Duitsers hadden de Franse politieagenten namelijk aanvankelijk niet gevraagd om ook de kinderen op te pakken. Voor het standbeeld staan enkele kransen met bloemen. Eentje ervan vormt een paarse davidsster op een tapijt van witte bloemen. "En kijk, de bijtjes komen de bloemen bevruchten en zorgen voor nieuw leven", bemerkt André. Aan de achterkant van het standbeeld, tussen het koppel, doemt de Eiffeltoren op. Als een herinnering aan waar we ons bevinden. "Ik ben archivist geworden", eindigt Goezu "omdat je niet kunt leven zonder achtergrond. Ik zie mijn toekomst in de genealogie die ik opbouw." 

 

Deze tekst kwam tot stand in het kader van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren (www.deburen.eu/parijs) in samenwerking met de stichting Biermans-Lapôtre.