ERVARINGSGERICHT ONDERWIJS
IN LATIJNS-AMERIKA


Welbevinden en betrokkenheid als richtsnoeren voor onderwijs in een regio met een groot analfabetisme en een laag onderwijsrendement


Peter Van Sanden is onderwijspedagoog van opleiding. Zes jaar lang werkte hij rond de problematiek van beginnende docenten in het hoger onderwijs. Vervolgens was hij verbonden aan het onderzoekscentrum voor kleuter -en lager onderwijs van de K.U. Leuven, waar hij zich om migranten en kansarmen ontfermde. Van Sanden heeft een uitgesproken visie over onderwijskwaliteit en zag zijn stap naar ontwikkelingssamenwerking dan ook als een logisch gevolg. In opdracht van de Vlaamse Vereniging voor Ontwikkelingssamenwerking en Technische Bijstand (VVOB) fungeerde hij vijf jaar lang als coöperant in Nicaragua. Hij implementeerde er de onderwijsvisie die ook in Vlaanderen de laatste twintig jaar een grote opgang kende. Het project liep af in december 2002. Samen met zijn Nicaraguaanse echtgenote en hun twee kinderen vertrekt hij begin juli naar Ecuador voor een nieuwe missie in het kader van de VVOB. Van Sanden laadt momenteel in Vlaanderen zijn batterijen op. Voor VIW overschouwt hij zijn vorige en blikt hij vooruit naar zijn nieuwe project.

Ervaringsgericht onderwijs is uw stokpaardje. Betekent dit dat scholieren en docenten meer inspraak hebben in het programma?
Van Sanden:
De idee is inderdaad dat onderwijs zich moet oriënteren op de kinderen, zij moeten het uitgangspunt zijn. Het programma is wel belangrijk maar de leerkracht mag er niet enkel staan om het leerplan uit te voeren. Dat leerlingen al dan niet kunnen volgen, is bijvoorbeeld in Nicaragua al te vaak niet de eerste zorg van de onderwijzers. Zij voeren het centraal voorgeschreven curriculum stipt, tijdig en volledig uit.

In die zin is het ook geen alleenstaand probleem?
Van Sanden:
Neen, het is een wijd verspreid fenomeen en het zal een proces van lange adem zijn om de knop om te draaien. Voor mij zijn sleutelbegrippen daarbij het welzijn en de betrokkenheid van de kinderen. Voelen ze zich goed in hun vel en in relatie tot anderen? Participeren ze in de lessen en leren ze derhalve goed? Of zitten ze er zomaar bij? Dat moet de toetssteen van de leraar worden. Lukt het of lukt het niet, dat kun je aflezen van uw kinderen.

Deze manier van werken impliceert wel enkele voorwaarden?
Van Sanden:
Ja. Essentieel was een goede samenwerking met het lokale ministerie van onderwijs. Want als ze van bovenuit drukken op de letterlijke uitvoering van het programma, wordt het heel moeilijk en is het innemen van het kindperspectief niet vanzelfsprekend.

OPZET

Hoe staat u tegenover het nieuwe project in Ecuador?
Van Sanden:
Heel positief. Ik ben erg tevreden over de manier van formulering van het nieuwe project. De bedoeling is vormingspakketten te ontwikkelen voor leerkrachten die hen helpen om de kwaliteit van hun onderwijs te verbeteren. De coöperatie tussen de VVOB, de lerarenopleiding, de plaatselijke universiteit en het ministerie van onderwijs biedt garanties voor een duurzame ontwikkeling wat voor de VVOB essentieel is. Want op deze wijze kunnen de projectresultaten in de opleidings- en nascholingsprogramma's ingebouwd worden. In Nicaragua werkten we in heel moeilijke omstandigheden. In vijf jaar tijd kenden wij drie ministers van onderwijs, twee directeurs-generaal van het Ministerie van Onderwijs en twee directeurs van ons departement. De continuïteit ontbrak en de organen waarmee wij werkten, kenden een grote werkonzekerheid. Het nieuwe project voorziet in basiscondities waardoor onder meer de lokale onderwijsmensen werkzekerheid hebben gedurende de loop ervan.

Toch kan je onmogelijk vat hebben op alle omstandigheden? Want kinderen brengen mee naar school wat er thuis gebeurt.
Van Sanden:
Ja, wat zich daar afspeelt, heb je niet in de hand. Nogal wat kinderen in Latijns-Amerika gaan bijvoorbeeld 's morgens naar school en 's namiddags moeten ze werken. Ze hebben dan niet veel tijd om voor school te werken en zitten geregeld doodmoe op de schoolbanken. Er zijn ook scholieren die slechts drie van de vijf dagen komen en daar moet je als leerkracht dus ook rekening mee houden. Hij heeft daar niet direct vat op maar kan er wel op inspelen. Het is aan hem om te differentiëren.

In Nicaragua concentreerden jullie zich ook op inclusief onderwijs: regulier onderwijs waarin kinderen met een handicap met hun specifieke noden aan hun trekken kunnen komen. Hoe zwaar is het om zich in een land, waar kinderen en jongeren sowieso amper van onderwijs kunnen genieten, te richten op een groep die het nog moeilijker heeft?
Van Sanden:
Naarmate de middelen beperkter zijn is er sowieso meer kans dat deze kinderen uit de boot vallen. Als er meer ruimte is, kan je je bij wijze van spreken permitteren je ook tot de economisch minder productieve kinderen te richten. Terwijl wij ervan uit gaan dat de aandacht geven aan kinderen met een handicap in het reguliere onderwijs, een hefboom kan zijn om de kwaliteit van het globale onderwijs op te trekken. Een stelling die niet alleen wij propageren en die trouwens gesteund wordt door UNESCO. Wat blijkt en ook gepromoot wordt, is dat aandacht voor deze kinderen heel heilzaam is voor de hele klas.

Omdat ieder kind wel eens extra aandacht nodig heeft?
Van Sanden:
Natuurlijk. De zogenaamde normale kinderen hebben ook soms moeilijke perioden. Als iemand zich om welke reden dan ook niet goed in zijn of haar vel voelt, mag hij of zij ook niet uit de boot vallen. Of hoger begaafden, ook hen moet je iets kunnen aanbieden om ze aan hun trekken te laten komen. Centraal staan niet de uiterlijke kenmerken maar het welzijn en de betrokkenheid. En dan gaat de zorg automatisch uit naar álle kinderen.

IMPACT

Hoe reageren onderwijzers nu ze hun aandacht nadrukkelijk op álle kinderen moeten leggen?
Van Sanden:
De meeste leerkrachten denken: "Verdorie, nu moeten wij iets doen wat wij nog nooit gedaan hebben. Wij moeten uitdrukkelijk stilstaan bij de kinderen in de klas, wij moeten hen leren kennen." Het is geen evidentie maar doorgaans wordt positief gereageerd. Dat heeft ook te maken met de wijze waarop we het project van onderuit samen met hen hebben opgebouwd.

Is de nieuwe aanpak ook bij de kinderen merkbaar?
Van Sanden:
Er bestaat voor Nicaragua geen systematische studie over maar wij hebben overtuigend kunnen vaststellen dat de leerkracht die zorgverbredende initiatieven neemt, kinderen stilletjes helpt open bloeien. Dat lijkt niet noodzakelijk spectaculair maar bij velen brengt het een kentering teweeg.

Hoe is het om als Westerling in heel andere levensomstandigheden soms niet meer dan een beloftevolle aanzet te kunnen geven in een nog jaren te lopen veranderingsproces?
Van Sanden:
Ik ben hier heel open aan begonnen en ik moet zeggen dat het me erg bevallen is. Ik ga zeker niet ontkennen dat je af en toe echt aan de grond zit of dat de frustraties je erg hoog zitten. En, hoewel je doelbewust wat afstand neemt, kan je de knop niet op nul zetten. Je ziet elke dag de kinderen bedelen. Je leest dagelijks in de krant hoe politiek disfunctioneert en corruptie zegeviert. Dan vreet aan je en dan is even afkicken echt geen luxe, maar na een kleine maand snak je alweer om terug te gaan. Het virus heeft met echt te pakken. Ik sta dan ook te popelen om mij opnieuw onder te dompelen in een nieuwe leef- en werkcontext.

Meer informatie: http://www.vvob.be

Koen Van der Schaeghe