| |
|
|
Zij
zijn de Vlaamse Economische Vertegenwoordigers. Duitsland
telt er momenteel drie. Alledrie met een ander profiel. Jan
Bruffaerts was achtereenvolgens vertegenwoordiger
in Harare, Perth en Kopenhagen. Momenteel functioneert hij
vanuit Stuttgart en sinds de pensionering van zijn collega
Etienne Roelandt eerder dit jaar neemt hij dezelfde functie
in München waar. Bruffaerts’ collega in Keulen
is Marc Van Der Linden. Hij werkte eerder
in de privé-sector en was vervolgens actief als vertegenwoordiger
in Helsinki. Luc Strybol tenslotte vertegenwoordigt
Export Vlaanderen in Berlijn. Voor hem is de ééngemaakte
Duitse hoofdstad zijn eerste post.
Over
hun job zijn de drie het volmondig eens: de variatie en de
vele uitdagingen maken hun werk erg aantrekkelijk. Hun agenda
wordt gevuld met marktstudies, handelsbevordering en contacten
met de verschillende economische factoren. In officiële
kringen treden ze op als economisch vertegenwoordiger wat
een interessante afwisseling vormt met het concrete contact
met Vlaamse bedrijven wiens vragen en belangen ze behandelen.
Duitsland,
één van de belangrijkste handelspartners, en
exportbestemming nummer 1 voor Vlaanderen, zal hoogstwaarschijnlijk
extra geconfronteerd worden met de oostelijke uitbreiding
van de Europese Unie. De Duitse prioriteiten zullen hierdoor
misschien verschuiven ten nadele van Vlaanderen? Kan men hier
als exportverantwoordelijke op inspelen?
Marc Van Der Linden:
Duitsland was de motor achter de toetreding van de Oost-Europese
landen. Deze landen behoren immers tot het natuurlijke afzetgebied
van Duitse ondernemingen. Dankzij de toetreding hopen zij
een oplossing te vinden voor de aanslepende economische crisis
in eigen land. Er zal ongetwijfeld veel aandacht besteed worden
aan de mogelijkheden voor Duitse bedrijven in deze nieuwe
landen. Vooral dan inzake arbeidsintensieve activiteiten.
Luc
Strybol: De productieverschuiving naar het Oosten
is geen nieuw fenomeen. Vlaanderen maar ook Duitsland zelf
heeft hieronder te lijden. Deze tendens zal in eerste instantie
versterkt worden. Lagere lonen voor dezelfde politieke zekerheid:
de keuze is snel gemaakt. Vele ondernemingen spelen evenwel
reeds langer in op deze evolutie. Zo worden producten in Vlaanderen
ontworpen, in Polen geproduceerd (hoewel ook meer en meer
in het Verre Oosten), in Vlaanderen afgewerkt, van label voorzien
en binnen Europa gedistribueerd.
Jan Bruffaerts: Mijns inziens is het voor
onze ondernemingen belangrijk te beseffen dat de reusachtige
Duitse markt de meest diverse producten aanbiedt. Er moet
dus nagegaan worden in hoeverre een gelijkaardig product reeds
op de markt werd geïntroduceerd en welke afzetkanalen
hiervoor gehanteerd worden.
Van Der Linden: Vlaanderen heeft nog steeds
een mooi pakket aan troeven in handen. Uit mijn zakelijke
contacten leer ik dat vooral de westelijke Länder,
waaronder Nordrhein-Westfalen, nauwere contacten willen aanhalen
met België en Nederland. Deze grenslandinitiatieven krijgen
de voorkeur omdat Vlaanderen nu eenmaal dichter ligt dan Warschau
of Praag. Dat zijn initiatieven die wij ten volle moeten ondersteunen.
De grensbarrières die nog steeds bestaan, moeten dankzij
individuele en collectieve zakelijke contacten verder verlaagd
worden. En daar is voor ons een belangrijke functie weggelegd.
Strybol: We kunnen de verschuiving naar het
Oosten betreuren maar het gezond realisme zegt dat we moeten
trachten het Vlaamse aandeel in de cyclus te optimaliseren,
dat we met andere woorden moeten focussen op ontwikkeling,
ontwerp en distributie. Onze concurrenten op de Duitse markt
zijn onder meer de nieuwe lidstaten maar dat zijn ze ook van
Duitsland zelf.
Welke sector zo u
u Vlaamse bedrijven willen aanraden / afraden als zij in uw
regio wensen te investeren?
Van Der Linden: Duitsland is anno 2004 zeker niet
het eerste land waaraan Vlaamse bedrijven momenteel denken
om in te investeren. Als afzetmarkt is het uiteraard belangrijk,
waardoor geregeld verkoopskantoren worden opgericht maar nieuwe
investeringen zijn helaas zeldzaam.
Bruffaerts: Dat is onder meer het gevolg
van de verdringersmarkt die Duitsland is. Zich beter
positioneren is moeilijk op een markt die erg verzadigd is.
Enkel in hooggeschoolde en technologische sectoren zijn zowel
het belang als de concentratie nog in stijgende lijn. Investeringen
in arbeidsintensieve sectoren zou ik afraden.
Strybol: Ik wil vooral waarschuwen voor overdreven
optimisme in de Oost-Duitse machinebouw en automobielsector.
De bestaande investeringen zijn het gevolg van subsidies maar
van het verhoopte sneeuwbaleffect is voorlopig geen sprake.
Welke karaktertrekken van de Duitser houdt een Vlaamse
exporteur best in het achterhoofd als hij zich op de Duitse
markt wil begeven?
Bruffaerts: Men kan stellen dat een doorsnee Duitser
veeleisender is dan een Belg of een Fransman bijvoorbeeld.
En hoewel hij niet de naam heeft van chauvinist te zijn, is
hij veelal geneigd Duitse merkproducten aan te schaffen. Hij
rijdt liefst met een Duitse wagen, kiest voor zijn vakantiebestemming
een door Duitsers uitgebaat vakantieoord, een Duitse reisorganisator,
vliegtuigmaatschappij,...
Strybol: Men dient zich eigenlijk vrij weinig
aan te trekken van culturele verschillen. Een Duitser is gelukkig
een rationeel persoon die daar niet te veel om maalt, en andere
gewoonten eerder leuk vindt dan storend.
Van
Der Linden: Het traditionele beeld van een Duitse
zakenman verdwijnt. Vele jonge en dynamische bedrijven zijn
erg flexibel in de omgang met hun zakelijke partners. Men
krijgt als buitenlandse leverancier in Duitsland ook een eerlijke
kans. Dit heeft niet enkel positieve consequenties, er wordt
immers vlugger van leverancier gewisseld en van oorspronkelijke
beslissingen afgeweken.
Strybol: Ik wil toch één belangrijke
waarschuwing toevoegen: een Duitser gaat anders om met afspraken
en contracten. Een contract wordt niet beschouwd als een beveiliging
voor het geval het misgaat maar als een draaiboek voor de
afhandeling van een transactie. Het is dus de kunst om dat
draaiboek verstandig op te maken.
Van Der Linden: Dat gesprek verloopt liefst
in correct Duits. Indien er geen goede en duidelijke communicatie
mogelijk is, zal men zelden kiezen voor de buitenlandse leverancier
Bruffaerts: Wat niet wegneemt dat een Duitser
steeds open staat voor nieuwigheden, ook als deze vanuit het
buitenland komen. Een goed product heeft immers geen paspoort.
Koen Van der Schaeghe
|