|
|
| VERTREKKEN
| NATIONAAL
| INTERNATIONAAL
| WERKEN|
JONGEREN
| NOSTALGIE
|
 |
 |
 |
 |
| |
|
|
|
| |
|
|
VROEGER
WAS HET EEN
RUSSISSCH BEDRIJF
Het is een rustige namiddag als ik aanschuif om vanop de luchthaven
van Vilnius, de Oro Uostas van het vroegere Wilna
of Vilno, de aandoenlijke Saab 2000 van Lithuanian Airlines
naar Brussel te nemen. Drie keer per week pendelt het schroefvliegtuig
in de nationale groen-geel-rode kleuren op en af naar Zaventem
– “maar straks wordt dat vijf keer”, zegt
Benedikt Rommens me. Hij gaat terug naar Diksmuide, even over
en weer om de vier kinderen op te zoeken. “En ik vlieg
gratis vandaag”, lacht hij. “Verdiend met mijn
afstandspunten”.
Rommens zit toevallig op mijn vliegtuig, ik heb hem enkele
dagen eerder uitgebreid gesproken in de vroegere hoofdstad
Kaunas (Kowno), waar hij de leiding heeft over een kluwen
van confectiewinkels en –werkplaatsen. “Nu heet
dat nog ECG, European Clothing Group”, vertrouwt
hij me toe. “Maar ik heb in alle vriendschap mijn partner
uitgekocht, en weldra bestaat mijn eigen Litouwse groep, LCG.
Mijnheer Kaestecker en ikzelf blijven uiteraard wel de E5
Mode verspreiden. Heb je de grote winkels gezien ? Maxim,
een eigen Litouws bedrijf overigens ?” Ik knik. E5
is een begrip in Litouwen. Haalbare prijzen voor een nieuwe
lidstaat van de Europese Unie. “Het was knokken, en
ik ben een workaholic. Maar de mentaliteit is hier uitstekend.
De mensen willen werken”. Dat heb ik gemerkt, toen ik
het naai- en stikatelier bezocht eerder die morgen. Driehonderd
vrouwen (en één man) werken er van zeven tot
vier onder constante kwaliteitscontrole aan de productie van
betaalbare modekleren. “Vroeger was dit een Russisch
bedrijf”, zegt de opzichter me. “Vier verdiepingen
hoog. Nu huren wij de hele derde verdieping af. Alles hebben
we in eigen hand: ontwerpen, patronen, afwerking, nazicht”.
Litouwen weet dat het een achterstand op te halen heeft. Het
zit wel snor, denk ik, terwijl een dikdoenerige dame mijn
bagage door de röntgenmachine
stouwt. De paspoortcontrole is strenger bij het buitengaan
dan bij aankomst. Toen sneeuwde het. Nu zie ik twee collega’s
van Studio Brussel apart hun toestellen laten dedouaneren.
Ze weten niet wie ik ben. Gelukkig maar, want een hoge pet
heb ik niet op van hun programma over de Europese toetredingslanden,
als ik de zondag daarop voor de eerste keer De Eburonen
beluister. Alsof alles om condooms draait. Maar ach, de lente
is in het land, ontroerend hoe in de vertrekhal wel twee instapbalies
zijn (twee), tegen de wand de taksvrije zone, halve winkeltjes
met wat vodka en prullaria. Ik koop me toch maar een fles
zachte Litouwse vodka, Prezidento Degtine, pagaminta
in ispilstyta Lietuvoje, gedistilleerd in Kaunas. (Overigens
krijg ik daar later last mee op Zaventem, als ik kwansuis
door de EU-uitgang naar buiten wil, en prompt langs de andere
kant wordt weggeleid). Maar daaraan denk ik nog niet in Vilnius,
de luchthaven ziet er uit als de gecomprimeerde wachthal van
Deurne, met amper acht incheckbalies, en aan het plafond een
replica van een eendekker, die geen vergelijking kan doorstaan
met de Farman VI van de Brusselaar Charles Van den Born uit
1911 (en die ophangt in de nieuwe luchthaven van Hongkong,
Chek Lap Kok, als herdenking aan de allereerste vlucht
naar de stadstaat).
LOS UIT HET SOVJETVERBAND
Het is amper een jaar geleden dat ik in Litouwen was. Ik kwam
er op 14 februari, en dat zal me nog lang heugen. Liefkensdag
blijkt namelijk de grootste feestdag van het land te zijn,
ook al zijn er maar liefst drie nationale feestdagen: onafhankelijkheidsdag
op 16 februari, de dag van het herstel van de onafhankelijkheid
in 1991 (11 maart), en de kroning van koning Mindaugas op
6 juli in 1253, de stichter van het Groothertogdom Litouwen
dat de volgende eeuwen met Polen de belangrijkste staat zou
worden van Midden-Europa en zich uitstrekte van de Oostzee
tot de Zwarte Zee. Maar dat is officiële geschiedenis,
vieren doen ze op 14 februari. Ik kan het weten, want ik heb
uren tevergeefs gezocht naar een vrij tafeltje in een restaurant
en er bij toeval eentje gevonden in het SAS-Radisson Hotel,
hartje oude stad. (De kaviaar was trouwens uitstekend). De
dag daarna mocht ik een paar woorden wisselen met de pas aangestelde
president Rolandas Paksas, dezelfde die nu in staat van vervolging
is gesteld door het parlement, de Seimas, vanwege ambtsmisbruik
en banden met de Russische maffia (zo luidt het officieel;
in andere kringen is te horen dat Paksas niet tot de nomenklatoera
behoorde, een buitenstaander was in de kongsi’s van
oud-communisten, en daar nu moet voor opdraaien).
Buitenlandminister
Antanas Valionis minimaliseert de politieke woelingen als
ik hem opzoek in het stalinistisch gebouw uit de jaren vijftig
aan de Tumo Vaizganto. “Dat is de kracht van de democratie”,
zegt hij. “We zijn amper dertien jaar los uit het Sovjetverband.
We zoeken nog naar een evenwicht”. Dat blijkt. Door
een langlopend conflict met het stadsbestuur zijn zopas alle
parkeermeters afgebroken. “Maanden konden we gratis
parkeren”, grijnst Axel Holvoet, die met zijn Litouwse
vriendin een dochtertje grootbrengt in Vilnius. “Helaas
is er een oplossing gevonden. Levende parkeermeters. Werklozen
in fluorescerend gele overgooiers. Zij innen ter plekke”.
ARNULF
DE GROTE OF VYTAUTAS DE GROTE
Axel Holvoet is een merkwaardig geval. Hij heeft van de vorige
president – maar wel op zijn vraag, gesteund door de
andere hoogleraren van het universitaire taleninstituut –
de Litouwse nationaliteit gekregen. “Een gunst vanwege
mijn verdiensten voor de Litouwse taal en cultuur”,
zegt hij zacht. We zitten in de zonnige lobby van het Reval
Hotel Lijetuva, het hoogste gebouw van de hoofdstad,
met een futuristische bar op de 22e verdieping, stijl pop-art
jaren zeventig. Het uitzicht is fraai, vrijwel alle kerken
en orthodoxe tempels, zelfs de ene synagoge aan de Pylimo
zijn duidelijk te herkennen. Litouwen had een grote joodse
minderheid, zo’n 300.000 mensen bij het begin van de
Tweede Wereldoorlog. Ze werden gedecimeerd. Vandaag zijn amper
0,3 % van de 3,6 miljoen inwoners nog van joodse aanhankelijkheid.
“En dan verwachten we nog dat 300.000 Litouwers snel
zullen uitwijken, zodra we lid zijn van de Unie, terwijl de
bevolking stilletjes afneemt”, zegt Valionis. “Een
lage schatting”, beaamt Holvoet, “Maar ze keren
na een tijdje wel allemaal terug. Ze zijn nogal gehecht aan
hun cultuur, hun omgeving, hun taal”. Daar weet Holvoet
alles van. “Tja”, zucht hij. “Ik heb 15
jaar in Polen gewoond”. “Klopt”, zegt Mon
Detrez, nu hoogleraar slavistiek in Gent. “Hij woonde
en werkte er met de docente Nederlands aan de universiteit
van Warschau”. De laatste vijf jaar heeft Holvoet zijn
optrek genomen in Vilnius, in de buitenwijken. Daar werkt
hij nu aan een nieuwe spraakkunst voor de Litouwse taal, één
die het dichtst nog ligt bij het Oud-Grieks en het Sanskriet.
“Zeven naamvallen, maar dat is beheersbaar. Het zijn
vooral de grammaticale wendingen die moeilijk liggen. En niet
iedereen spreekt Litouws. Zeker de adel niet, de sjlacht.
Die sprak vanouds Pools. In dat opzicht is Litouwen zeker
met Vlaanderen te vergelijken. Een vrijgevochten leen, dat
een grote uitbreiding kende, Vlaanderen onder Arnulf de
Grote, Litouwen onder Vytautas de Grote die
de Teutoonse ridderschap vernietigend versloeg in 1410, in
de slag bij de Tannenberg. Maar daarna voortdurend onder de
knoet leefde van vreemde overheersers, Polen, Russen, Duitsers,
Sovjets. Daarom zijn de echte Litouwers, toch 80 % van de
bevolking, zo in zichzelf gekeerd, schuw, stug. Een wantrouwige
boerenrepubliek”. Litouwen, dat was het Vlaanderen van
de Boerenkrijg. Ik herinner me zelf nog hoe ik in
1991, amper een paar weken na de onafhankelijkheid, het land
bezocht. Hoe ik in de havenstad Klaipéda (onder de
Pruisische bezetting, Memel) in het enige hotel logeerde.
Geen water, geen verwarming, geen telefoon, geen eten –
de directeur heeft zich toen uitgesloofd om mij op zijn privétoestel
een verbinding met België te bezorgen. Dat lukte. Na
twee uur. En via de Moskoulijn (“bel eerst de zeven”).
Waarna ik water en bloed gezweet heb in de gammele Antonov-14
die ons van Klaipéda naar Vilnius bracht. En wel heet
water vond in één van de eerste moderne hotels
ooit geopend in Vilnius, Sarunas, genoemd naar, en
eigendom van de bekende basketspeler, die zijn hele bar had
volgehangen met pantoffels van zijn roemruchte medespelers
uit de Amerikaanse NBA. Vilnius is onherkenbaar geworden.
Al lopen er nog altijd besjes rond die bedelen voor hun ongeneeslijk
zieke kleinkindjes.
“Ze
zijn misschien niet zo opgefokt als de Esten en de Letten”,
geeft onze Vlaamse economische vertegenwoordiger in Litouwen,
Frank Van Eynde, schoorvoetend toe. “Amper acht procent
van de bevolking is Russisch, afstammelingen van door Stalin
gedwongen uitwijkelingen. Maar Litouwen ligt geprangd tussen
Rusland, Wit-Rusland en de exclave Kaliningrad, het vroegere
Oost-Pruisen rond Königsberg. Dat schept moeilijkheden.
Al heeft de Europese Unie inmiddels een akkoord bereikt voor
visavrije doortocht per spoor van Russische burgers –
ook Poetins vrouw komt uit die streek. Maar al haten ze de
Russen niet echt, zoals de Esten met hun strenge nationaliteitswetten,
of de Letten, die de buik vol hebben van de pomperijen van
de Russische maffia in Riga, ze staan toch erg wantrouwend”.
Van Eynde en ik zitten in een zwaar overwelfde kelder van
restaurant Lokys in de Stikliystraat valkbij het
stadhuis. Het eten is uitstekend, berenvlees voor hem, wild
zwijn voor mij. Over ons toornt een opgevulde zwarte beer
– “lokis”, beer-man, is de naam van de weerwolf
uit de Baltische sagen; ik kan het weten, ik heb zelf ooit
Prosper Mérimées ‘Lokis’ vertaald
die daarop stoelde. “Maar weet je”, zegt hij,
“Mijn vrouw is Russisch, ik heb ten slotte lang in Moskou
gewerkt. En nu nog gebeurt het dat men in de straat weigert
te antwoorden als zij Russisch spreekt, toch de tweede taal
van Litouwen”. Ik kan het begrijpen, het Frans is bij
ons geen andere behandeling toebedeeld. Van Eynde is de enige
Vlaming die zich ook wat terughoudend opstelt tegenover de
Litouwers. “Begrijp me niet verkeerd. Het zijn harde
werkers. Ze hebben een goeie ingesteldheid. Maar ze zijn argwanend.
Ze sluiten zich snel af van de buitenwereld”. “Kan
best”, repliceert Holvoet. “Toch zijn ze eerder
schuw, onderdanig, afwerend. Vlamingen begrijpen dat. En wat
die tweede taal betreft, het Engels is in ijltempo het Russisch
aan het verdringen. Jammer voor de doorvoerhandel. Maar onomkeerbaar”.
GEEN NIEMANDSLAND
Litouwen heeft er ook nooit een geheim van gemaakt dat NAVO-lidmaatschap
voorging op toetreding tot de Europese Unie. Op 10 maart ratificeerde
de Seimas de intrede in het Westers bondgenootschap. Het land
kan nu in alle rust zijn economie afstemmen op het Westen.
“Geen welvaart zonder veiligheid. En omgekeerd”,
knikt Valionis. “Onze taken zullen heel anders gaan
liggen. Bewaking van één van de langste buitengrenzen
van de Unie. Scherper toezicht op inwijking en asielzoekers.
Strijd tegen smokkel en mensenhandel. Nog vorig jaar, in 2003,
sloten we met België een bilateraal akkoord af om de
politiesamenwerking en de rechtskundige harmonisering te versterken”.
“En met Vlaanderen ?” “O, al in 1996 is
er een internationaal verdrag van wederzijdse samenwerking
afgesloten. Vlaamse bedrijven zijn erg geïnteresseerd
om hier te investeren. Uw know-how hebben we meer dan nodig”.
Eind
april stuurde Vlaanderen inderdaad een zending van 25 bedrijfsleiders
naar de Baltische staten. Ze kwamen niet terecht in een niemandsland,
al is de (Vlaamse) coördinator voor de havenactiviteiten
een goed half jaar geleden definitief verhuisd van Klaipéda
naar de Letse hoofdstad Riga. Nochtans wonen er weinig Vlamingen
echt in Litouwen. “Wat wil je”, zegt ambassadrice
Marie-Louise Vanherk. “Het is amper twee en een half
uur vliegen, en zeker nu de grenzen opengaan, kun je gewoon
langs de Via Baltica vanuit Duitsland door Polen
naar Vilnius rijden. In Litouwen en Letland samen –
want ik ben voor beide bevoegd, al is het de politiek om straks
in elke Europese lidstaat afzonderlijk een eigen ambassade
te openen – wonen hooguit een dertigtal landgenoten.
Het merendeel Walen dan nog. In Letland zijn er een achttal
Vlamingen, hier iets minder. Ik heb weet van een pater franciskaan
in het noordoosten van het land, in de bossen rond Utena.
Bart Pauwels. Keert terug naar de eenvoud van het bestaan,
leeft van de bosontginning, hakt bomen om, plant bonen en
aardappelen. Leeft in een Belgische commune van zo’n
half dozijn paters, de Tiberiade gemeenschap. En daarnaast
zijn er wat losse contacten. Ik dacht dat de vrijhandelszone
van Kaunas een Vlaming in dienst heeft”.
ZEVEN OP ZEVEN
Dat
is zo. Freddy Opsomer is door de Spoorwegen aangeduid om die
zone mee uit te bouwen, al wil dat niet zo best lukken. “Maar
alles is beter dan het amateurisme van een Eddy Planckaert,
die met malafide zakenlui scheep ging, en zich nu beklaagt
dat zijn in beslag genomen fabriek toch parket levert aan
België”. En wie helemaal in de wolken is over het
Litouwse ondernemerschap is Jurgen Vincke. Ik heb er net ruim
200 kilometer opzitten langs de snelweg A1 – afgezoomd
met ijsplekken en besneeuwde weiden – als ik Plunge
binnenrijd. Een gat. Men zegt 25.000 inwoners, ik denk meer
aan Herzele of Wiekevorst, een kerk, drie straten, een snackbar.
De – heel Vlaamse – bakstenen kerk loopt net leeg,
een begrafenis. We draai en
om de kerk tot buiten de gemeentegrens. Daar staan de gebouwen
van Viciunai. “Wereldleider in de verkoop van surimi,
valse krab”, juicht bio-ingenieur Jurgen Vincke, alweer
een West-Vlaming, die zijn penaten van Blankenberge heeft
ingeruild voor de verre buiten. “Ik weet het, er valt
hier weinig te doen in de winter. Zeker voor mij, ik ben de
enige buitenlander mijlen in de omtrek, de enige van de achttienhonderd
personeelsleden hier. Maar ik werk zeven dagen op zeven, en
ze kunnen me best pruimen”. Hij geeft me een zorgvuldige
rondleiding door de hele fabriek. “Dit is geen kattenpis”,
zegt hij. “Dit is spitstechnologie, al blijft het arbeidsintensief.
We hebben er net een haringfabriek aangebouwd, met look, met
fruit, met allerhande toevoegsels die in Vlaanderen niet bekend
zijn. En heb je de verschillen gemerkt bij het inmaken van
surimi ? We maken het op basis van visproteïne uit Alaska,
alle vet is weg, alle afval verwijderd. Gezonde visbestanddelen.
Voegen we geur en kleur toe. Geroken ?” Ik draai me
net walgend weg van een doordringende krabgeurcontainer. Hij
schatert het uit. “Kijk, surimi bij ons is redelijk
kort, en liefst roserood gekleurd. In Spanje moeten ze daar
niet van weten. Surimi is daar oranjebruin. De Russen willen
dan weer langere stukken. En hier in Litouwen houden ze vooral
van gehakte blokjes, in een soort sla”. Verveelt hij
zich niet ? “Ik werk zeven dagen op zeven “ –
ik zei het, Vincke is een rasechte West-Vlaming – “en
in de betere maanden is er hier heel wat sociaal verkeer.
Geen cafébezoek, wel volksfeesten, sportwedstrijden.
Het is allemaal nogal behelpen. Kijk, de voetbalploeg van
Punge speelt, denk ik, in tweede of derde nationale. Als je
dan de lange houten banken bekijkt waarop het publiek de wedstrijd
moet volgen, tja, dat is Brugge niet, he ?” Maar Vincke
houdt van de weidse landschappen, “precies Vlaanderen,
met zijn grote vlakten, bossen, en stranden. En op zonnige
dagen rijd ik gewoon door naar Riga. Of naar Vilnius, waar
een tijd terug nog op de Boekenbeurs een Vlaamse
Poëziedag is gehouden. Fijne jazz erbij van het
Peter Hertmanskwartet, pakkende voordrachten van
Myriam Vanhee, Geert Van Istendael, Paul Claes, Dirk Van Bastelaere.
Voorts is er nog ergens een Brusselaar in het zuiden van het
land die een eethuisje openhoudt. En ik volg de sport op de
wereldomroep”. “Blijf je dan niet slapen ?”,
vraag ik wat onschuldig. Hij ziet dat ik in Laisvalaikis
blader, de gepeperde bijlage van Respublika, het
blad dat net een schandaal veroorzaakte door een dwaze antisemitische
tirade, die in één adem ook België tot
een “land vol pedofielen” best empelde.
“Slapen ?”, vraagt hij. “In de Eden
Club zeker ? Of de Terminalas Naktinis Klubas
? Of de Mirage ? Of één van de vele
andere stripteasebars ? Nee, dank je wel. Ik rij wel terug”.
Daar is wel één risico aan verbonden. In de
winter is de snelheid beperkt tot 110 kilometer per uur, in
de zomer tot 130. En controleren doen ze. Ik heb op zijn minst
drie politiepatrouilles opgemerkt die met een soort pistool
de snelheid maten. En mensen tegenhielden en beboetten. “Ja,
maar je moet nooit toegeven”, zegt Vincke. “Met
wat palaberen krijg je er best een nul af”. “Was
dat maar waar”, zucht Holvoet. “Ik stond verkeerd
geparkeerd. De klem lag al op het wiel. Dat kost me een flink
stuk van mijn maandloon, 40 euro. Want vergeet niet, de lonen
liggen hier een flink stuk lager. Dat maakt reizen voor Litouwers
naar elders in de Unie erg moeilijk. Wie straks uitwijkt,
is vrijwel zeker een economische gelukzoeker. Lang gaat dat
niet duren, want de prijzen stijgen schrikbarend. Tot voor
kort lag de prijs voor eten of drinken of logies hier op een
derde van de Unie. Dat vind je misschien nog ergens op het
platteland. Maar elders is de prijs al tot de helft gestegen”.
Holvoet is optimistisch. Ik logeerde in Kaunas in een Best
Western Hotel, de Santakos. De prijs kon de vergelijking
met België redelijk doorstaan. De Chinees aan de Kumeliustraat
al evenzeer, en dan levert de Didziioji Siena lang
niet de kwaliteit af van het klassieke restaurant bij het
Rotuses, het stadhuis aan de Muitines waar ik uitgebreid
met Rommens dineerde. Maar ik had dan ook geen rugzak, zoals
de jongens van Studio Brussel. Wel een behulpzame Litouwer,
sprak geen woord andere taal, maar die spontaan mee in de
wagen kwam zitten om me de weg te wijzen door de eenrichtingsstraten.
“Du dibilis alus”, kon ik nog uitbrengen achteraf.
“Geef ons twee grote halfliterpinten”. Het Litouwse
bier mag er trouwens best zijn. Waar wacht Interbrew op ?
Lukas
De Vos |
| |
|
|
©
Vlamingen in de Wereld
|
|