
“Als
ik mijn huis uitkom, moet ik welgeteld dertig stappen doen
en ik sta in zee. Ik ontwaak in een heuse fata morgana met
mijn voeten in de Oceaan en omringd door een rijke botanische
omgeving terwijl de zon het hele landschap omarmt.”
Oost-Vlaming Jo Gyselinck weet warm te vertellen over zijn
stek op het Indonesische eiland Lombok. Een erg idyllische
plek in de schaduw en als kleine broer van het meer bekende
en toeristische Bali. Voor Jo, zijn echtgenote Etty en hun
dochtertje Eleene is Pondok Pantai echter ook een oord waarin
ze moeten zien te overleven. Toeristen in hun gastenverblijf
zijn daarvoor een must en de terroristische aanslagen op
Bali en in Jakarta waren in die zin letterlijk en figuurlijk
dooddoeners. Een ontsluierend portret over status, mondiaal
leven, islamperceptie en dromen.
ECHTGENOTE
UIT HOOGSTE KASTE
Als zoon van één van de leidende figuren van
de BMW-motorclub in Vlaanderen was Jo’s jeugd en omgeving
niet erg sedentair. Ook hijzelf heeft het avontuur nooit
geschuwd. Als jonge snaak van achttien trok hij al met zijn
gemotoriseerd stalen ros naar de Ardèche in Frankrijk.
Gauw zou de Noordkaap volgen, toen enkel bereikbaar via
onverharde paden en in niets vergelijkbaar met de geasfalteerde
en bewegwijzerde wegen van vandaag. “Mijn droom was
de wereld zien. Ik werkte die tijd eerst als sportfotograaf
maar dat lag mij niet. Ik hou wel van lopen en zwemmen maar
dat wil niet zeggen dat ik graag naar een loop- of zwemwedstrijd
ga kijken. Later werkte ik keihard als zelfstandige voor
allerhande opdrachtgevers. Te veel en te druk, dus op een
dag ben ik met alles gestopt. Ik zei mijn handelsregister
op en zou vertrekken voor een jaar maar ik kon evengoed
na een maand alweer thuis staan.
Mijn eerste stop was Jakarta en vandaar ging het naar Kalimantan,
Borneo waar ik de jungle pur sang beleefde. Het
waren maffe tijden met niet altijd even verantwoord gedrag.
Ik reisde naar Nieuw-Zeeland, Australië, Cambodja en
Laos en telkens had ik een rustpunt in Lombok waar een vriend
woonde met zijn lokale echtgenote. Haar tweelingzus Etty
zou mijn latere vrouw worden. Beide zussen zijn afkomstig
uit het voormalige sultanaat van Bima. Tot aan de onafhankelijkheid
in 1945 was Indonesië namelijk opgedeeld in Sultanaten
en mijn schoonvader was de laatste eerste minister of vice-sultan
van het sultanaat. Mocht deze opdeling en traditie vandaag
nog gangbaar zijn, had ik haar zelfs nooit kunnen huwen
zonder dat ze haar rang verloor. Eén van haar tantes
huwde iemand van de gewone bevolking en diende het sultanaat
te verlaten.
Tot op vandaag, 60 jaar onafhankelijkheid werd onlangs gevierd,
heeft de familie veel aanzien in de regio. Als wij het sultanaat
bezoeken, mag ik niet zeggen wie mijn echtgenote is want
ze zou vast en zeker vereerd worden. Toen mijn schoonvader
nog leefde werd hij er vervoerd met draagstoelen omdat hij
de grond niet zou moeten raken. Van het kasteverschil is
geen sprake meer. Als vreemdeling werd ik erg vlug kind
aan huis in de familie.”
I’M
LEAVING ON A JETPLANE
Na een jaar reizen trachtte Jo nog wel terug in België
te werken maar het zou niets worden. Hij vertrok opnieuw
maar drastischer deze keer want zelfs zijn huis ging onder
de hamer. “I’m leaving on a jetplane
van John Denver was toen ons nummer. When I come back
I'll bring your wedding ring zei ik en zo geschiedde
ook. Ik ben wel blijven reizen, ook nadat Etty en ik trouwden
en een stuk grond kochten, want ik kon het moeilijk van
me afzetten. Veel reizen kost echter veel geld en na enkele
jaren droogde de financiële bron op. Ik verloor de
smaak niet maar kon op die manier niet blijven leven. Ik
moest hoe dan ook geld verdienen.
Toen kwam het idee om de reizigers naar mij te brengen in
plaats van mezelf naar allerhande bestemmingen. Van het
huis voor onszelf, maakten we een gastenverblijf. We stelden
een budget op, berekenden wat we er konden uithalen en dat
liep vanaf de eerste maand fantastisch.” Pondok Pantai,
wat zoveel wil zeggen als hutjes op het strand,
situeert zich in het noordwesten van Lombok in het dorpje
Gondang. De hoofdstad Mataram en de luchthaven liggen op
43 km. “De ongerepte omgeving doet je denken aan een
soort paradijseiland. We zitten echt op het einde van de
wereld, volledig weggestoken in een kokosnootplantage. Een
intieme plek, enkel te bereiken via een hobbelig parcours.
De stad is bijna anderhalf uur rijden en van de hoofdweg
zijn we anderhalve kilometer verwijderd. Onze dichtste buren,
arme vissers, wonen 500 meter verder.
BALI-BOM EN ANDER ONHEIL
”De eerste maand zat het al snor en de maanden daarna
nam het aantal bezoekers een enorme vlucht. Een verkwikkende
vaststelling was dat en we zagen het dan ook echt zitten
want vele reizigers wisten het comfort van de grote steden
te weerstaan. Maar als donderslag bij klaarlichte hemel
zorgde de bom op Bali in oktober 2002 voor een koude douche.
Het was halfweg de maand. Ik weet het nog omdat de opbrengsten
die maand amper nog de helft waren. Niemand kwam de maanden
erop over de vloer. Geen mens durfde nog naar Indonesië
te reizen. Daar bleef het helaas niet bij. Na de bom was
er de oorlog in Irak die de kleine heropleving onmiddellijk
weer in de kiem smoorde. Later volgde nog de uitbraak van
SARS en de vogelpest.” Tussendoor ontplofte nog een
bom in Jakarta. Zo heeft Jo’s gezin en met hen de
hele toeristische industrie de ene kwaal na de andere doorworsteld.
Nu ze bijna hun vierde Belgische zomer achter de rug hebben,
kruipen ze langzaam uit een dal. “Het is broodnodig
want een nieuwe tegenslag zou ons zeker nekken. Meerdere
gastenverblijven in de ruime omgeving hebben hun deuren
reeds moeten sluiten. Er is ongelooflijk veel werkloosheid
en leegstand in wat ooit toeristische trekpleisters waren.”
JOEKEL
VAN EEN LAND
Hoewel er recent geen aanslagen op Westerse doelen meer
waren, is het algemene gevoel over Indonesië erg negatief.
Landen als Groot-Brittannië, Nieuw-Zeeland, Australië
en de Verenigde Staten geven tot op vandaag een negatief
reisadvies voor Indonesië. Ook ons land geeft de raad
om drukke plaatsen te vermijden. Dat schrikt af en maakt
dat mensen die oorspronkelijk geneigd waren naar Indonesië
te reizen hiervan afzien. Daarenboven is de perceptie over
het land heel negatief. “Over Indonesië wordt
steeds bericht als het grootste moslimland ter wereld, wat
helemaal niet zo is. Saoedi-Arabië is een moslimland
maar Indonesië niet. Moskee en staat zijn in Indonesië
immers volledig gescheiden. Een dubbelzinnige betiteling
die doet vermoeden dat de moskee aan de macht is terwijl
het land vijf wettelijke godsdiensten kent. Een juistere
benaming zou zijn dat het het land is met de grootste populatie
moslims. En waarom? Omdat het een joekel van een land is
natuurlijk.” De onbekendheid bij het grote publiek
van het voormalige Nederlands Indië is groot en dat
ondervindt Jo geregeld. “Ik krijg vragen als: ‘Moet
ik daar een boerka dragen?’ of ‘Mag ik mij in
een rok bewegen?’ Ga in Indonesië naar een bank
of een supermarkt, iedereen draagt inderdaad een uniform.
En waarom? Omdat ze anders in hun lompen zouden komen. Sommigen
dragen een lange rok, anderen een korte,… Je ziet
natuurlijk wel hoofddoeken in het straatbeeld maar een boerka
is nog iets anders… Uitzonderlijk enkele Arabieren
misschien maar zelfs hoofddoeken zijn in de minderheid.
Als Westerse vrouw kan je je met gemak bewegen tussen deze
potpourri. Je moet natuurlijk weten waar je halfnaakt en
gekleed rondloopt. In toeristische centra zie je toeristen
in hun bikini naar de supermarkt, voor zover die bestaat,
gaan. Dat doe je toch niet? In Vlaanderen ga je toch ook
niet in je bikini naar de Delhaize of lunchen in je zwembroek.
Wat je in Vlaanderen niet doet, doe je elders ook niet.”
HEIMWEE NAAR HUIS
Ondanks de mooie setting weegt, vooral in het regenseizoen,
de 15.000 km tussen Lombok en Vlaanderen. Euforie en ontheemdheid
liggen soms dicht bij elkaar. “Ik word helemaal niet
verteerd door een overdreven verlangen naar Vlaanderen maar
wanneer er weinig gasten over de vloer komen, voor het merendeel
Nederlanders, is de nood om een Vlaamse stem te horen het
grootst. Dan durf ik wel eens naar de Wereldomroep te luisteren
in de hoop dat de muzieksamensteller niet Ik heb zo’n
heimwee naar huis van Will Tura in zijn achterhoofd
had… In het buitenland wonen en in het buitenland
wonen is ook verschillend. Ik heb overal in de wereld gezeten.
Australië is bijvoorbeeld niet bijster moeilijk: je
hebt er alles bij de hand en het is vergelijkbaar met Vlaanderen
met het enige verschil dat je aan de andere kant van de
wereld woont. Of zit je in een stad als Jakarta of Kuala
Lumpur, dan heb je de Westerse wereld eigenlijk nog bij
de hand. Het is onze eigen keuze natuurlijk maar om een
idee te geven: drie kilometer voor mijn deur stopt de telefoonlijn
en om mijn e-mail te checken ben ik 2h30 onderweg.
Hoewel het Nederlands in Indonesië (het is een voormalige
Nederlandse kolonie) nog steeds een belangrijke taal is,
valt de generatie die de taal echt onder de knie heeft stilaan
weg. Er zitten natuurlijk ook wel Belgen op Lombok maar
zij zijn niet onmiddellijk mijn slag. Sommigen zijn wel
erg koloniaal, het omgaan met hen heeft dan wel veel weg
van een surrogaatrelatie. Af en toe moet ik wel naar Vlaanderen
want zoals bijna iedereen heb ik een reispas met een geldigheid
van vijf jaar. Ik heb er zelfs twee, wat wettelijk kan,
maar na twee jaar staan die boordevol… stempel hier,
stempel daar. Om de zes maanden moet ik immers het land
uit om mijn sociaal visum te regelen. Of ik nu getrouwd
ben of niet, dat maakt geen verschil. Zolang je geen businessvisum
hebt, moet je het land uit. Voor mij betekent dat minstens
naar Singapore reizen, wat nog altijd een kleine drie uur
vliegen is. Ik vind het natuurlijk aangenaam om tijdelijk
in Vlaanderen te vertoeven en een pint te pakken met enkele
kameraden. “Ik blijf Belg, al wordt ik ook één
met het volk en de gewoonten: beleefdheidsvormen, buigingen,
aansprekingen,...
KONINKLIJKE SERRES
“Wat zal de toekomst brengen? We zitten echt wel gewrongen
over wat we gaan doen. Mijn echtgenote had de mogelijkheid
om in British Guinea aan de slag te gaan, wat we wel overwogen
maar uiteindelijk naast ons neer legden. Achteraf gezien
was dat misschien een verkeken kans maar ik ben zeker niet
bitter. In Indonesië kan één van ons
misschien voor een werkgever werken maar op vlak van fotografie
kan ik hier niets doen en in de toeristische industrie moet
ik me geen werk zoeken, want er is geen. Als regenwouddeskundige
en schrijfster heeft Etty lang goed geld verdiend, maar
dan zal dit ook niet op Lombok zijn. En, moesten we bijvoorbeeld
naar België komen? Wat kan zij er doen met haar tropisch
diploma? In de koninklijke serres werken? Tja, hopen maar
dat ons lange wachten op de heropleving zal beloond worden.”
Koen Van der Schaeghe
