“Toca Tango” riepen ze in de straten van de Caraïben en Cuba de trommelaars toe en ze dansten de kasseien glad. Velen zien hier de geboorte van de Tango, maar niet zoals we hem nu kennen. Deze tango is gegroeid op de oevers van de Rio de la Plata, de breedste rivier van de wereld die Uruguay en Argentinië van elkaar scheidt. Tango Rioplatense is tot Unesco erfgoed verheven, dit om zijn authenticiteit en zijn bekendheid over heel de wereld.
Montevideo en Buenos Aires, respectievelijke havensteden van Uguruay en Argentinië, waren draaischijven in de slavenhandel en lokten jaarlijks duizenden migranten van overal. In deze mengelmoes van talen en culturen zochten mensen naar een nieuw leven, een nieuwe identiteit. Hieruit groeide de Tango Rioplatense, verzamelnaam van zowel de muziek, de dans als de tekst. De muziek en de dans is alom gekend. De teksten van de tango zijn voor ons minder gekend, het lijkt Spaans, maar er zitten heel veel sluipwoorden in. Ze zijn moeilijk te begrijpen als men de leefgewoonte en de cultuur van een tanguero niet echt kent. “Een taal is eigen aan de leefgemeenschap waar ze in gesproken wordt”, zei Heidegger. De tango is hier geen uitzondering op. Buiten het Spaans gebruiken ze in de tango ook het Lunfardo. Deze taal, eigenlijk een woordenlijst, vond zijn oorsprong in de gevangenis en op de straten van de havenwijken van Buenos Aires en Montevideo.
Korte geschiedenis:
De tango is afkomstig van Cuba en de Caraïbische oorden. Toch is hij in Buenos Aires en Montevideo uitgegroeid tot wat het nu is. Het leven van de migranten was hard. Zij waren haven en goed verloren. Muziek en dans was een hulp om dit te verwerken. Mensen kunnen nu eenmaal beter communiceren via muziek en de dans was een middel om zich af te reageren. De muziek werd gespeeld op de instrumenten die de migranten uit hun vaderland hadden meegenomen. De dans ontstond uit het jonge geweld in de straat. Zij oefenden hun bokspassen of simuleerden gevechten op de tonen van de straatorgels, violen en accordeons. Om dit alles een zin te geven, zongen troubadours thema’s over liefde, ontrouw, heimwee en armoede, dagelijkse situaties. Deze dansstijl werd in het begin ook wel entreveros de guapos genoemd. Entreveros is Spaans voor een lijf-aan-lijf gevecht van ridders en een guapo is een mooie jongen. In de straten van San Telmo en La Boca betekende het straatchaos. En waarvoor vechten jongens meestal? Uiteraard voor het mooie vrouwelijke geslacht en de strijd om deze vrouwenharten te veroveren. In het begin was de tango een mannenzaak. In de teksten werd dit duidelijk in de verf gezet. Het elegante benenwerk van de jonge heren in de straten trok al gauw de meisjes aan en flirtend mengden ze zich tussen de dansende jonge kemphanen.
De dans won vlug aan populariteit. Er waren genoeg instrumenten voorhanden en op elke hoek van de straat werd er aan het orgel gedraaid of aan de bandoleon getrokken. De troubadours zongen over reële situaties en gebruikten een ‘code-taal’ zodat de teksten enkel te begrijpen waren door soortgenoten. Het rijkere nachtleven van de twee hoofdsteden smaakte deze erotische dans en al gauw verhuisde de tango naar de salons van Buenos Aires en Montevideo. Daar onderging de tango een ware metamorfose. De instrumenten werden verfijnd en de tekst sociaal opgekuist. De tangueros begonnen poëzie te schrijven en symfonische muziek te componeren.
Het Lunfardo
Het kunstige van een tangotekst ligt hem in het feit dat ze in een paar woorden een hele situatie kunnen schetsen en in twee strofen een heel leven beschrijven. De teksten zijn duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar. Dichterlijke vrijheid is uit den boze. Wel gebruiken ze metaforen die gevoelens en ideeën uitdrukken. Bepaalde begrippen die een wrange nasmaak hebben worden verpersoonlijkt, om ze menselijker te maken. De Porteño was/is heel bijgelovig, dit door de invloed van de Afrikaanse slavenrituelen. De dood wordt vaak omschreven als de ‘ultieme liefde’ of de ‘minnaar’. Sterven was voor hen de verlossing uit dit ellendige leven, of men zag hem als de minnaar die je geliefde van je ontrekt. Hoewel het taalgebruik poëtischer werd, hielden de schrijvers toch vast aan de straattermen uit het Lunfardo. Het wordt gebruikt om emoties een diepere dimensie te geven. Deze emoties werden uitgedrukt in de oorspronkelijke moedertaal van de migranten zodat we in het Lunfardo een mengeling vinden van Italiaanse, Franse, Germaanse en Spaanse dialecten. Deze taal groeide in een strikt omlijnde sociale groep, het was de taal van de armoede en de honger. Ze staat bol van het populisme en vulgarismen. Van in het begin vonden woorden uit het Lunfardo hun weg naar de tango. Toen de tango verhuisde naar de hogere kringen, kreeg het Lunfardo een intellectuele nasmaak. Lunfardo en tango worden dezer dagen in één adem uitgesproken, het maakt deel uit van de authenticiteit van deze kunstvorm. Er zijn zelfs woorden opgenomen in de Spaanse woordenlijst. Hierdoor kreeg het Spaans van de Rio de la Plata zijn eigen identiteit. In de context van de tango zijn woorden zoals: mina (vrouw, meisje) bondi (autobus) laburo (werk) quilombo (rommel, wanorde) en cana (politie) woorden met allure, in de spreektaal gebruikt, getuigt het van weinig opvoeding en enige onbeschoftheid. Door het sociale karakter van het Lunfardo kreeg het een politieke bijklank en werd het uiteraard niet door iedereen gesmaakt. In bepaalde periodes van de geschiedenis van Argentinië werden woorden of zinnen in tango’s veranderd of zelfs volledig verboden. De redenen waren vaak discreet: het was om de taal te zuiveren of om liedjes voor opgevoede damesoortjes toegankelijk te maken. Zowel kerk als politiek moeide zich met de strofes.
Maar de tango en alles wat eraan vast kleeft, overleefde deze woelige wateren. Het Lunfardo was niet weg te denken van de dansvloer. Nog steeds is de tango een manier van leven. Het was een uiting van frustratie, heimwee en de sociale ellende die ze elke dag ondervonden. Daarom is de ondertoon van de tango triest, nostalgisch, ironisch en klagend. De tango is het voorbeeld van een haat/liefde relatie met het leven, hard realisme. Men kan zich afvragen wat er het eerst was: de kip of het ei? Was het de tango die de nieuwe leefregels bezong, of orkestreerde de tango juist deze nieuwe regels? De identiteit van een porteño is niet los te denken van de tango, en andersom.
De Italianen waren een dominerende migrantengroep in de tweede helft van de 19de eeuw en doorspekten het Spaans met aangepaste Italiaanse woorden. De nieuwe betekenis van die ‘geleende’ woorden was vaak een tegenstelling van de oorspronkelijke betekenis. Net zoals het woord ‘macanudo’: aardig, tof, gezellig; en het woord macana dat ‘slechte zaak’ of ‘chaos’ wil zeggen. Op Jamaica was Macana een geweer van een harde houtsoort. Door de kogel uit de macana werd in de slavenwereld heel wat rechtgezet dat eens krom was: de dood was voor deze mensen vaak welgekomen. Macana was dus een slechte zaak, maar eenmaal geschoten: macanudo, was het dan weer een goede zaak. Tangueros willen niet moderniseren, zij willen niets veranderen, voor hen blijft de tijd stil staan. “La muerte agazapada marcaba su compas” De sluipende dood geeft het tempo aan.
Componisten en zangers
Er waren verschillende tangorichtingen die uitgroeiden tot instituten. De bekendste zijn vooral verbonden aan vaste orkesten, zoals Astor Piazzola, Julian Plaza en Osvaldo Pugliese. Zij hadden elk hun eigen tekstschrijvers. Toen de radio zijn intrede deed, kreeg de tango zijn popallure. De zangers werden idolen, muzikanten werden sterren. Carlos Gardel is daar uiteraard een groot voorbeeld van. Zijn geboortestreek is tot op vandaag een heftig dispuut tussen Uruguay en Argentinië. Volgens de eerste zou hij in Uruguay geboren zijn uit een Franse alleenstaande moeder, terwijl de tweede zegt dat hij in Marseille geboren is en zijn alleenstaande moeder naar hier trok om te ontsnappen aan de sociale discriminatie. Zowel moeder als zoon hebben deze zaak nooit opgehelderd.
De persoonlijkheid van de tango ligt hem niet alleen in zijn authenticiteit. Er zit een sociale filosofie in geborgen. De levenshouding van het volk waaruit het gegroeid is, is verweven in zijn woorden, zijn muziek, zelfs in de keuze van zijn instrumenten en in zijn passionele bewegingen. Tango is leven en dood, het is afstoten en aantrekken, haat en liefde. De bandoleon trekt heel het klavier open om te huilen, de viool sniert wonden open, de piano tokkelt de harde noten die men dagelijks moet kraken. In de teksten portretteert men zwart-wit de emoties van elke dag. De stereotypes en het cartooneske vergroten de situaties uit. De man is macho en tegelijk slachtoffer van de vrouw. Een jong meisje is puur en lieftallig, de oudere vrouwen zijn ontrouw, van lichte zede en/of moeder. Je kan de tango bekijken als een zwart-wit schilderij in een bruinvale kader, een grauw realisme. De teksten zijn gegroeid uit een protest tegen sociale wantoestanden en ongelijkheid.
In de tango Gayola vervat Gardel al het voorgaande: Gayola komt uit het Portugees en betekent gevangenis of kist. In deze tango wordt het voor de twee gebruikt: de gevangenis waar hij net uit vrijkomt, de gevangenis van het leven en de doodskist van zijn moeder die hij niet begraven heeft, omdat hij gevangen zat, de doodskist van zijn liefde omdat zijn vrouw hem uit het huis zet.
Wees niet bang, vlucht niet…Ik ben niet gekomen om me te wreken.
En morgen, vertrek ik om nooit meer weer te komen...
Ik ben gekomen om afscheid te nemen hopende dat jij de goedheid
Zou hebben om me nog eenmaal aan te zien met je welwillende ogen,
Zwijgend, lang, met je ogen van toen…
Ik ben gekomen omdat wij samen het verleden zijn
Zoals twee vrienden die elkaar lang niet meer gezien hebben,
Om me te herinneren aan die tijd toen ik nog een eerbaar man was
En de tederheid van mijn moeder als een poncho mijn nobele ziel verwarmde
Tegen de koude minachting.
Op een nacht bezocht ‘la guesuda’ (vrouwe Dood) mijn pijnlijke ziel
En mijn geliefd moedertje ging bij God leven
In mijn dromen zag ik dat mijn oudje vanuit de hemel
Me op het hart drukte dat jij mijn vrouw…dat ik altijd op jou kon vertrouwen
Maar je smeet met slijk en dorstig naar wraak...
Verborg je een mes in mijn hart
En, daarna, sereen, met mijn enige hoop dood aan mijn voeten
Droogde ik mijn bittere tranen in een café
Ze sloten me op, vele jaren, in een miserabele cel (gayola)
En op een namiddag bevrijden ze me, was dit voor- of tegenspoed?
Ik leefde als een vagebond in de straten, een rollende steen
Om te eten een bord soep, hoe vaak heb ik er voor in de rij gestaan
Tot ik eindelijk het licht zag en opnieuw wil beginnen
Ik kwam enkel om je te zien, om je te vergeven..
Ik zweer je: ik ben tevreden als dit iets voor je betekent.
Ik ga naar het platteland (a laburarla) om te werken...een paar centen (guita) bijeenrapen
Zodat er geen bloemen zullen ontbreken op mijn kist
"La gayola" Tango tekst: Armando Jose Tagini, muziek: Rafael Tuegols.
Rein Remaut, VIW-vertegenwoordiger Buenos Aires/Argentinië