DE TOEKOMST VAN EUROPA
EEN GESPREK MET JEAN-LUC DEHAENE

Dat de Europese Unie vanaf mei 2004, zestig jaar na WO II, 25 leden zal tellen, (de huidige vijftien, acht landen van Centraal- en Oost-Europa, Cyprus en Malta) is geen nieuws meer. De uitbreiding stelt de E.U. wel voor het probleem of zij verder kan functioneren binnen de bestaande structuren met in de nabije toekomst misschien wel 30 lidstaten. VIW sprak hierover met Jean-Luc Dehaene, ondervoorzitter van de Europese Conventie. De Conventie is een denktank die op 26 februari 2002 van start ging om zich te buigen over de toekomst van de EU en om een grondwet voor de Unie voor te bereiden. Voorzitter was de Franse oud-president Valéry Giscard d'Estaing. Daarnaast hadden de voormalige Italiaanse en Belgische premiers Giuliano Amati en Jean-Luc Dehaene zitting in het presidium. Op 18 juli 2003 werd het werk afgerond en het voorstel van de grondwet overgedragen aan het huidige Italiaanse voorzitterschap van de EU.


CHRONOLOGIE


De afwezigheid van gemeenschappelijke belangen, het gebrek aan politieke wil en de angst voor machtspolitiek, werkten - vooral het laatste decennium - verlammend op de Europese instanties. Om een zware crisis te vermijden, bracht Commissievoorzitter Prodi een Raad van Wijzen samen die zich over de EU-problematiek moest buigen. De drie wijzen, onder leiding van Dehaene, stelden in oktober 1999 voor om de Europese instellingen drastisch aan te passen. Einde 2001, tijdens de Europese Raad in Laken, werd de Europese Conventie in het leven geroepen en deze kreeg een mandaat om, via een brede maatschappelijke discussie, een ontwerp-verdrag van een grondwet voor Europa uit te werken. Na anderhalf jaar, waarin tussentijds de onderhandelingen met de toetreders afgerond werden, zitten de werkzaamheden van de Europese Conventie erop. Voor Dehaene was het resultaat onverhoopt positief: “In die zin dat ik met het nodige scepticisme de taak aanvatte. Het is namelijk niet evident om met een groep van 105 mensen een grondwet te schrijven. Maar tot mijn verbazing liep dit vanaf het begin vrij vlot. Ons werk is uitgemond in een tekst waarvan we bij aanvang niet durfden te dromen. Niet dat er volgens mij geen tekortkomingen zijn maar het was belangrijker, eerder dan de volle pot binnen te halen, om met een consensus over de brug te komen.”
Omdat de eigenlijke beslissing genomen wordt door de Intergouvernementele Conferentie (IGC), de staats- en regeringsleiders met andere woorden?
Jean-Luc Dehaene: Inderdaad, naar de IGC toe maakt het een hemelsbreed verschil als je één ambitieuze tekst dan wel één met verschillende varianten moet voorleggen. Het resultaat is een coherent transparant verdrag dat heel wat overeenkomsten heeft met de grondwetten van nationale staten en voor een geïnteresseerde burger leesbaar is. Een grondwettelijk verdrag ook waarop men een beroep kan doen bij het Hof in Luxemburg én een verdrag dat de Unie rechtspersoonlijkheid geeft, wat op internationaal vlak zeer belangrijk is.

GRONDWET

Mijnheer Dehaene, u neemt het woord grondwet niet makkelijk in de mond?
Dehaene:
Toch wel, maar bij aanvang van de Conventie, was het een taboewoord in Europees verband omwille van de Britten. We hebben ook lang geaarzeld om het in de Verklaring van Laken op te nemen.

Maar uiteindelijk spreekt iedereen wel over De Grondwet voor Europa. Welke door de Conventie voorgestelde principes zijn voor u de voornaamste?
Dehaene:
Die ene tekst waarin iedereen zich min of meer kan terug vinden, is zonder twijfel een eerste belangrijke verwezenlijking van de Conventie.
Een tweede belangrijke verworvenheid en wat ik persoonlijk een grote stap vooruit vind, is de ruimere Europese bevoegdheid inzake justitie en interne veiligheid. Parallel daarmee loopt de betere coördinatie van het buitenlands beleid, onder meer door het in het leven roepen van een minister van Buitenlandse Zaken. Een functie die momenteel door twee personen wordt vervuld. (Javier Solana als hoofd van het Buitenlands Beleid & Chris Patten als huidig Europees commissaris voor Buitenlandse Zaken, kvds)
Een derde belangrijke factor is dat we in grote mate het beslissen bij gekwalificeerde meerderheid hebben kunnen uitbreiden. Al voeg ik daar onmiddellijk aan toe: niet genoeg! Alweer Groot-Brittannië lag dwars. Niettemin is het een enorme stap voorwaarts en is er ook een clausule ingebouwd die in de toekomst mogelijk maakt om zonder voorafgaande conferentie een nieuwe verdragswijziging terzake door te voeren.
Ten vierde hebben we de instellingen kunnen versterken maar naar mijn gevoel is ook daar de dynamiek niet uitgeput. Omwille van de potentiële conflictstof tussen de toekomstige permanente voorzitter van de Europese Raad (de zogenaamde Europese president) en de voorzitter van de Commissie. Vandaar mijn overtuiging dat op termijn de dynamiek in de richting van één president zal gaan zoals we nu ook één minister van Buitenlandse Zaken voorstellen. Maar dat is dus nog geen verworvenheid.
Een laatste punt dat ik wil benadrukken is dat wij gepoogd hebben om doorzichtigheid te creëren: zowel qua verdeling en omschrijving van de bevoegdheden als betreffende de verschillende Europese instellingen die deze uitoefenen.

Dan hebt u het onder meer over de huidige Commissie. Wordt deze ook niet gekenmerkt door een gebrek aan gemeenschappelijke belangen?
Dehaene:
Ik denk inderdaad dat men in de Commissie nog te vaak vanuit de lidstaten denkt en dat elke commissaris het standpunt van zijn of haar land verkondigt. Essentieel is dat wie er lid van wordt, emotioneel zijn nationaliteit zou moeten verliezen. Een sterke Commissie is trouwens primordiaal en binnen de Conventie werd dan ook een kleinere efficiëntere Commissie voorgesteld.
We hebben in de grondwet ook een heel belangrijk hoofdstuk geschreven over de participatieve democratie, als aanvulling op de vertegenwoordigende democratie waarin het middenveld een heel belangrijke rol kan spelen. Dat is een hoofdstuk waar bepaalde nationale grondwetten nog iets kunnen van leren.
Als conclusie durf ik te stellen dat hoewel het hier om een compromis met gebreken gaat, we in tegenstelling tot vroegere resultaten van een IGC, waar vaak met de kleinste gemeenschappelijke deler geëindigd werd, we hier iets veel ambitieuzer hebben voorgesteld.

Een veel besproken voorwerp van discussie is of de Europese president best uit een klein of groot land komt.
Dehaene:
Persoonlijk vind ik dat minder belangrijk. Maar het is fout om te denken dat deze per definitie uit een groot land gaat komen. Het is trouwens ook afwachten hoe de vernieuwde instellingen zullen functioneren en welke de verhouding zal zijn tussen de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de Commissie en de minister van Buitenlandse Zaken.

Welke rol ziet u dan weggelegd voor deze man of vrouw? Eerder een protocolaire of een gezaghebbende functie?
Dehaene:
Eerder een beperkte functie. Naar mijn gevoel hadden we helemaal geen president nodig.
Maar sommige landen hadden een andere visie waarna we de uitersten bij elkaar brachten. In het kader van het compromis heb ik dit aanvaard maar ik vind het zeker niet het gelukkigste voorstel van de Conventie. Omwille van die potentiële conflicten. Die je volgens mij niet zal hebben als één van de Eerste Ministers die rol voor langere tijd op zich neemt.

Om aanvaringen te vermijden heeft Europa een bruggenbouwer nodig. Een Belg dus. Hebt u zelf ambities in die richting?
Dehaene:
Mijn ambitie is te kunnen meewerken aan een verdere integratie van Europa. Ik fixeer mij alleszins niet op die functie. Komen er kansen, in welke vorm dan ook, dan zal ik ze grijpen. Ik ben ervan overtuigd dat ik op één of andere manier mogelijkheden zal krijgen om verder te bouwen aan Europa.

Uw ervaring zal u toch geen windeieren leggen?
Dehaene:
Het gebeurt niet allemaal met objectieve termen. Ook subjectieve factoren spelen een rol. Ik ben daar zeer afstandelijk in en zie wel wat er komt. Maar dat ik me zal blijven engageren, staat vast.

HERENIGING BETEKENT MEER

Eén van de hoofdopdrachten van de conventie was ook het bekijken van uitbreiding van de EU, u houdt liever van het woord hereniging. Is Europa klaar voor die hereniging?
Foto: Het presidium van de Europese Conventie: vlnr.: Giuliano Amato, Valéry Giscard d'Estaing en Jean-Luc Dehaene
Dehaene: Ik heb op zich geen probleem met het woord uitbreiding maar dit is meer. Het einde van de Koude Oorlog bood een unieke gelegenheid om de opdeling, die er eigenlijk nooit had mogen komen, ongedaan te maken. Daarom vind ik de term uitbreiding eigenlijk te technisch. Met de voorstellen van de Conventie, naar aanleiding van die hereniging, moet de EU in staat zijn om zowel intern als extern sterker en efficiënter te werken. Het ware logisch en wenselijk geweest als we een basisgrondwettelijk verdrag hadden vóór hun overeenkomst tot toetreding. Waardoor ze toetraden ten opzichte van dat pact.

Mede daardoor vonden jullie het zo belangrijk dat de kandidaat-lidstaten aan de Conventie deelnamen?
Dehaene:
Voilà. Nu is het resultaat ook hun resultaat. En het wonderlijke is dat ze effectief deelnamen als waren ze lid en dus ook volmondig achter de conclusies staan. Waar zij het daarentegen moeilijker mee hadden, waren de wijzigingen die hun toetreding met zich meebrachten. Daardoor hadden zij ogenschijnlijk niet dezelfde rechten die hen vóór de Conventie beloofd waren. Dan heb ik het bijvoorbeeld over de beperktere Commissie. Het in voege treden van enkele nieuwigheden schuiven we daarom door naar 2009. De nieuwe lidstaten kunnen de werking van de E.U. dan zelf ondervinden en hun conclusies trekken.

Critici beweren dat de hereniging van Europa voor de huidige lidstaten weinig voordelen heeft buiten de stabiliteit binnen Europa.
Dehaene:
Vooreerst vind ik stabiliteit en vrede binnen Europa op zich al een factor die de moeite loont. Niet vergeten dat het supranationale gezag dat na WO II ontstaan is, en waaruit de EU gegroeid is, ons bijna zestig jaar van oorlog spaarde en ons heel wat welvaart bracht. Ik denk dat het een historische vergissing zou zijn om de huidige kans niet te grijpen. Hoe je dat op het terrein waar maakt zonder dat het ten koste van het Europese project gebeurt, is dé uitdaging voor de toekomst.
Men zegt natuurlijk dat wij reeds veel geld pompten en nog veel zullen moeten ophoesten voor de EU en dat dit geld hoofdzakelijk naar landen in Centraal-Europa zal gaan. Ik noem dat echter geen kost maar een investering omdat door onze inspanningen deze landen sneller kunnen groeien en ons gedeeltelijk zullen inhalen. En dat heeft enkel maar voordelen voor ons: niet alleen omdat de migratiestromen zullen stoppen maar meer nog omdat Centraal-Europa nieuwe markten opent. Men moet natuurlijk op lange termijn durven denken.

En dat worden in de toekomst naar het oosten toe de echte Europese grenzen?
Dehaene:
Op termijn worden dit inderdaad onze effectieve grenzen, waarbinnen vrij verkeer van personen, goederen en diensten zal plaatsvinden. Dat stelt ons wel voor het probleem dat de buitengrens nagenoeg volledig de grens van de nieuwe lidstaten zal zijn. Het zal een grote inspanning én solidariteit vergen om de nieuwe grenscontrole te realiseren.

HOORT TURKIJE BIJ EUROPA?

Welke rol zal op termijn weggelegd zijn voor Turkije dat zich reeds sinds 1963 in de wachtkamer van Europa bevindt en ook nu niet in aanmerking komt voor onderhandelingen? Giscard d’Estaing acht zelfs op termijn een toetreding onmogelijk.
Dehaene:
Met Turkije komen we bij het probleem, waar we de grenzen van Europa tekenen. Ook voor mij is dit een zeer moeilijke prognostiek. Waar wij het binnen de Conventie alleszins over eens zijn, is dat wij onze buren iets speciaal moeten kunnen aanbieden met name een nabuurschapverdrag, wat intenser is dan een samenwerkingsverband met bijvoorbeeld Mexico of Egypte. We zeggen niet: het is alles of niets. Vanuit dit standpunt hebben de landen van de Balkan op lange termijn de roeping om bij de EU te horen en de landen van de vroegere Sovjetunie die roeping niet. Net zo min de landen aan de overzijde van de Middellandse Zee die roeping hebben. In die context is Turkije een speciaal geval.

Het hangt dus vooral van Turkije zelf af?
Dehaene:
Persoonlijk vind ik van wel ja. Al moet ik eerlijkheidshalve zeggen dat er bij sommige Europeanen heel wat hypocrisie leeft door volmondig ja te zeggen tegen Turkije omdat zij ervan overtuigd zijn dat het land nooit aan de voorwaarden zal kunnen voldoen. In die zin was ik voorstander van een iets genuanceerder standpunt.

HET WASHINGTON VAN EUROPA

Europa verruimt maar tegelijkertijd wordt ook de rol van de lokale en regionale entiteiten groter. Hoe kunnen die territoriale en/of lokale regio’s beter bij het Europese beleidsproces betrokken worden.
Foto: Het Europees Parlement in Brussel
Dehaene: De sterkere ontwikkeling van de regio’s is op twee manieren te interpreteren. Vooreerst moet Europa de autonomie van de lidstaten, en de daaruit vloeiende interne organisatie, respecteren. De Unie moet zich bijvoorbeeld niet komen bemoeien met onze staatshervorming maar moet deze erkennen en er zelfs meewerken. Zo kan het gebeuren dat bepaalde regionale ministers in de Europese ministerraad zetelen. Een ander aspect zijn natuurlijk de specifieke grensoverschrijdende regio’s. Deze zullen zich zeker niet in bestuurlijke termen vertalen, want daar zijn we nog niet aan toe.

Welke functie ziet u weggelegd voor België in het toekomstige Europa met 25?
Dehaene:
Ik ben ervan overtuigd dat België zijn spitsfunctie moet blijven vervullen. Ons land behoort als één van de zes stichtende landen nog steeds tot de leidinggevende staten, die ook in de Conventie een voortrekkersrol bekleedden.

Voor vele Belgische jongeren is het vanzelfsprekend dat Brussel de Europese hoofdstad is. Maar ik kan me voorstellen dat in de toekomstige lidstaten naar Brussel wordt gekeken als bedevaartplaats?
Dehaene:
Wij onderschatten inderdaad de betekenis van Brussel. Brussel is echt het Washington van Europa. Al is er wel het verschil dat Brussel in het herenigde Europa erg excentrisch gelegen is. Nu ligt Washington ook aan de rand van de VS maar we moeten wel waakzaam zijn en alles doen opdat Europa zich hier thuis zou voelen. Mijn ervaring is dat Europeanen zeer graag in Brussel verblijven, omdat het een wereldstad is in termen van de diverse nationaliteiten en de tweede stad is qua aanwezige journalisten maar terzelfder tijd geen grootstad is.

Zal het dan niet te klein worden?
Dehaene:
Mensen voelen zich hier net thuis omdat ze niet in de totale anonimiteit verzeild raken. Ik denk dat we dit gevoel moeten handhaven. Maar het is duidelijk dat, mochten we onze taalproblematiek niet hebben, Brussel niet beperkt zou blijven tot de 19 gemeenten. Doch, ook nu heeft de grote aanwezigheid Europeanen een uitdeinend effect op Brussel. Wij moeten daarom een inspanning doen om al deze mensen te verwelkomen, te informeren en hen tot integratie aan te zetten.


De huidige situatie van de Europese Instellingen

De unie wordt nu bestuurd door een Raad van Ministers (van elk land één) en een roulerend voorzitterschap. Alle lidstaten zijn om de beurt zes maanden voorzitter (tot 31 december van dit jaar is dit Italië). Voor het dagelijks bestuur is er de Europese Commissie, waarvoor elke lidstaat tenminste één commissaris levert. Hun zittingsperiode is vijf jaar. De Europese Burgers kiezen de leden van het Europees Parlement, met een even lange zittingsduur.

Een greep uit de concrete voorstellen van de Conventie

-Eén Europese president
-Eén Europese minister van Buitenlandse Zaken
-De Europese Commissie: de uitbreiding tot 25 leden mag niet leiden tot een uitbreiding van de stemgerechtigde commissieleden. Er zal zelfs een inkrimping komen tot 15. Er zou een roulatiesysteem komen
-De besluitvorming: Gedeeltelijke afschaffing van het vetorecht


Koen Van der Schaeghe