| |
|
|
Daniël
Ost is de man achter de bloemenpracht op de huwelijken van
kroonprins Filip en prins Laurent. Hij fleurde de 60/40
viering van Koning Boudewijn op (60ste verjaardag en
40 jaar koningschap). Eerder dit jaar ontwierp hij op de site
van Petra, midden de Jordaanse woestijn, een huwelijk met
alles erop en eraan. En eind februari zullen honderden miljoenen
mensen zijn werk kunnen bewonderen want dan kleedt Daniël
Ost de uitreiking van de Oscars aan: een manifestatie waar
Ost zijn vakmanschap maar niet zijn ziel zal tonen.
Momenteel is hij voor de 64ste keer in Japan. Ost heeft er
verschillende projecten per jaar maar deze laatste is wel
een erg bijzondere opdracht: het aankleden van en de tentoonstelling
in Ninnaji is weinigen gegeven. Ninnaji is de tempel in Kyoto
waar keizer Hirohito (regerend van 1926 tot 1989) zich schuil
hield op het einde van WO II. Door zich als monnik te verkleden
verborg hij er zich voor de Amerikanen. Het is een fantastisch
mooi tempelcomplex en het is de eerste maal in de geschiedenis
dat een dergelijk initiatief wordt toegelaten.
”De chrysant, of kiku in het Japans, is één
van de hoofdbestanddelen van het project” vertelt Ost.
“Het is het symbool van de eenheid van het Japanse volk,
dat belichaamd wordt door de keizerlijke familie. En in tegenstelling
tot wat velen denken is het ook de origine van de Japanse
vlag. U dacht misschien dat het de zon was maar niets is minder
waar.” Voor de meeste Belgen staat de chrysant, en dan
vooral de grootbloemige, symbool voor de vergankelijkheid
van het leven, de eindigheid en bezinning rond Allerheiligen
en Allerzielen. “Het is erg bijzonder om met een bloem
te werken die in Japan en China verafgood wordt en in Vlaanderen
amper één week aangevoerd wordt en speciaal
naar die periode gekweekt wordt. In het Verre Oosten is de
bloeiperiode drie weken later en zijn er onwaarschijnlijke
wedstrijden aan gekoppeld.”
DOOR
HET LEVEN GEBOETSEERD
Dit
is ongetwijfeld slechts één
van de vele verschillen tussen Oosterse en Westerse bloemsierkunst?
Daniël Ost: Het grote verschil is dat Westerse
bloemsierkunst lang een evenementen- en decoratieve functie
had. Als verfraaiing van gebouwen en symboliek bij belangrijke
gebeurtenissen in een mensenleven zoals geboorte, huwelijk
en dood. Ik omschrijf dit als het utilitair gebruik van de
bloem waardoor men enkel met het lichaam en de kleur van een
bloem laat spreken terwijl men in het Oosten ook met de ziel
werkt. Dat brengt ons bij de theorie van wabi-sabi, die de
schoonheid van de dingen waardeert, ook al zijn ze verweerd
of geconsumeerd. Die schoonheid, die we pas kunnen zien als
we voldoende geduld hebben en heel goed kijken hanteert men
in de Japanse bloemsierkunst en dat is een wezenlijk verschil
met ons. De liefde voor het imperfecte, natuurlijke en essentiële
is in de Westerse maatschappij soms ver te zoeken.
U hebt een diepe band met de eilandengroep en de Japanse
gebruiken?
Ost: Inderdaad. Toch schik ik mijn bloemen niet op
de Japanse manier, volgde ook geen Ikebana, Ikenobo of Sogetsu
(strekkingen en scholen binnen de Japanse bloemsierkunst)
maar houd natuurlijk wel mijn ogen open. Japan beïnvloedt
mij wel maar nog meer dan beïnvloeden, verbaast het mij.
Ik ga weliswaar op zoek naar de eigenheid van de bloem maar
het is niet de bedoeling dat ik een Japanner wordt. Mijn ogen
zullen pas heel klein worden als ik doodga, maar dat zullen
nooit Japanse ogen worden.
Il faut aller voir zei Jacques Brel ooit. Je doet geen
inspiratie op vanuit je woonkamer?
Ost: Als je heel veel reist, zou je nogal dom of
arrogant zijn wil je niet bepaalde invloeden ondergaan en
leren van andere culturen. Je wordt door het leven geboetseerd.
Door mijn reizen binnen Europa, naar Japan, China, Zuid-Korea,
Taiwan, de Verenigde Staten en recent in het Midden-Oosten
ben ik een ander bloembinder en mens geworden. Wanneer ik
mag werken op de Japanse eilandenarchipel ben ik enorm gelukkig:
het respect voor natuur en het individu en de eerbied voor
producten zijn er nog in grote mate aanwezig. Mijn voorliefde
voor Japan betekent geenszins dat ik mij niet mateloos kan
amuseren met westerse bloemsierkunst: het maken van schitterende
boeketten met heel veel diversiteit, die zeer eigen zijn aan
mijn cultuur maar wel louter decoratief zijn.
U bent een intermediair tussen beide culturen?
Ost: Sommige mensen in Japan noemen me de brug.
Want wat gebeurt er vaak? Nederland is het grootste bloemenexporterende
land ter wereld. Duitsers zijn technisch de meest begaafde
bloemisten ter wereld. Zij gaan allen naar het Verre Oosten,
negeren de lokale, 900 jaar oude, traditie in de bloemsierkunst
en introduceren er het snelschikken. Erg hautain vertellen
vele Europeanen wat er moet gebeuren, terwijl hun traditie
nog niet half zo ver reikt als de Japanse. Ikzelf heb ze aangespoord
te blijven wie ze zijn. Gooi het kind met het badwater niet
weg... een Japanner moet Kerstmis toch niet vieren?
MIJN
GEEST STUURT DE HANDEN VAN
ANDEREN
In 1985 was Daniël Ost voor het eerst in het land van
de Rijzende zon. De opdracht was toen niet echt zijn ding
maar niemand kon weten wat de toekomst zou brengen, dus nam
hij de uitdaging met beide handen aan. Wat Japan betreft vindt
Ost zichzelf een verwend nest. Bedachtzaam spreekt hij over
Ninnaji: “Ik hoop dat de mensen zeggen dat ik het waardig
benom het te doen. Ik vind het een hele eer om dat te mogen
doen en er zo behandeld te worden. Ik heb ervaringen in Japan
die waarschijnlijk slechts weinig stervelingen gegeven zijn.
Ik hoop dan ook stilletjes dat mijn verhaal op de archipel
nog lang niet afgelopen is.”
Als u in het buitenland werkt, bepaalt u dan zelf
van waar de bloemen en planten moeten afkomstig zijn?
Ost: In Japan koop ik meestal lokaal aan omdat het
een zeer moeilijk land is om te importeren. Tenzij het natuurlijk
Belgisch materiaal moet zijn en het via steun van de ambassade
het land binnen raakt. In het Midden-Oosten, en wanneer het
geen Belgisch of Vlaams project is, haal ik meestal mijn bloemen
in Nederland. Waarom? Gewoon omdat er niemand in België
in staat is dit op een even professionele manier te doen.
Het zou ook gek zijn wetende dat het grote merendeel van de
bloemen op de Belgische markt uit Nederland komt.
Werkt u met een vaste crew van landgenoten of veelal
met lokale mensen?
Ost: Dat varieert. Er is een groep die ik mijn harde
kern noem, waarvan meestal meerdere mensen meegaan. Alles
hangt ook af van de grootte en belangrijkheid van het project.
De tentoonstelling in Kyoto telde 25 verschillende projecten
die moeten begeleid en op elkaar afgestemd worden. Dan is
het handig mensen van je zelf te hebben, die kunnen delegeren
of de verantwoordelijkheid nemen over vier of vijf items.
In totaal werkten een zestigtal mensen mee aan de totale opstelling.
Hoe ziet u zichzelf als u aan zo’n groots project
werkt: eerder als een dirigent die met partituur in de hand
delegeert of als schrijver die met symbolen een oneindig aantal
mogelijkheden heeft?
Ost: Ik zie mezelf als bloembinder met een heel grote
taak op zijn schouders, die tot een goed einde moet gebracht
worden. Het zou onnozel of dom zijn om aan een klein bloemstukje
te werken. Je moet overzicht behouden en afstand nemen. Dat
is de enige en echte manier om fouten te vermijden.
Ik kan met toch inbeelden dat u het soms voelt tintelen in
de vingers om zelf deel te nemen?
Ost: Ik ben veel te nuchter en doelgericht om daaraan
toe te geven. Ik participeer wel maar zal me niet permitteren
om tijdens zo’n project een aantal uren op één
iets gefocust te blijven om nadien te moeten vaststellen dat
enkele meters verder de zaak moet afgebroken en heropgebouwd
worden. Ik heb ook geleerd uit mijn fouten. De grote kick
van wat ik doe is niet alleen het maken op zich maar ook het
uitdokteren. Bloemschikken is geen handeling van de handen
maar van de geest. Je geest concipieert. Zolang je geest zegt:
“Dit moet het worden”, zullen je handen het ook
maken want ze worden gestuurd door de geest. En bij zo’n
massaal project moet je kunnen zeggen: “Nu gaat mijn
geest de handen van anderen sturen.” Er zijn veel dirigenten
die piano kunnen spelen maar het zou al te gek zijn moest
een dirigent van zijn opstapje komen en zeggen: “Doe
maar verder, ik ga even meespelen”.
“MIJN
NAAM IS OST EN NIET ONASSIS”
Op uw naamkaartje staat bloembinder. Niettemin
wordt u beschreven als bloemsierkunstenaar of floraal
couturier.
Ost: Ik ben niet verantwoordelijk voor al deze titels
al zijn ze wel leuk natuurlijk. Mijn optie is nooit geweest
kunstenaar te worden. Ik doe wat ik graag doe en hoop dat
de mensen er leuke ervaringen bij hebben en kunnen wegdromen.
Een bloemenwinkel verkoopt in principe ook geen kunst. Hij
zou kunst kunnen verkopen mocht hij daar het talent, het cliënteel
en de middelen toe hebben. Mits extra persoonlijke benadering
is alles tot kunst te verheffen.
Maar wat is kunst? Veel mensen denken dat je met bloemen mooie
dingen moet maken. Dat is niet waar. Bloemen kunnen ook weerzin
opwekken of andere stemmingen oproepen die niet noodzakelijk
als mooi ervaren moeten worden. Ik ken een kunstenaar die
bloembollen laat verdikken, ze vervolgens doet verrotten en
beschimmelen, dit natuurlijke proces vastlegt op de gevoelige
plaat en de foto Island of death titelt.
Is het ook iets dat u zou overwegen te doen?
Ost: Aangezien ik nog 50 moet worden, ben ik nog
niet zo met de dood en het efemere bezig maar het fascineert
me wel. Zoals ik in mijn werk de seizoenen volg, heb ik tot
nu toe ook mijn leven gevolgd. Wat ik wil zeggen is dat als
ik het huwelijk van de prins aankleed, het geen uiting van
kunst is maar van vakmanschap is. Ik kies de kathedraal niet
en hang af van voorkeuren van verschillende partijen. Ik ben
maar volledig mezelf als ik composities kan maken met plantaardig
materiaal, waarbij geen commerciële activiteit gemoeid
is en waar ik zelf bepaal wat ik maak, hoe het zal staan en
het gefotografeerd wordt. Dat doe ik ook het liefst, maar
mijn naam is Ost en niet Onassis. Ik moet af en toe ook dingen
om den brode doen om zo de projecten te doen die ik écht
graag doen. In mijn geval is dat allemaal zeer nauw verweven.
Ik heb mijn bloemenwinkels en decoraties waarmee ik mijn brood
verdien. Maar waarmee ik beroemd geworden ben zijn de florale
composities. Versta mij niet verkeerd, ik draag mijn vak hoog
in het vaandel. En, ik denk, in alle bescheidenheid, dat er
weinig bloemenwinkels ter wereld zijn waar er gemaakt wordt,
wat er bij ons gecreëerd wordt.
U
haalde zonet reeds de belangrijkheid van de seizoenen aan.
Welk is voor u het leukste seizoen om mee
te werken?
Ost: Zonder meer de herfst. En niet alleen omwille
van de kleuren maar ook om het symbolische. De herfst is één
groot feest van de natuur die weet dat hij moet gaan rusten
om na enkele maanden het volgende feest voor te bereiden maar
eerst wat op retraite en bezinning moet gaan. De lente is
ook schitterend natuurlijk in tegenstelling tot de zomer.
Ik ben niet zo’n zonneminnend mens. Niets is zo zalig
als goed gekleed door de Ardennen te wandelen in de regen...
het geluid van de regen die op de bladeren valt vind ik zalig.
Voor mij hoeven die hele zwoele hete zomerdagen niet.
Dan treedt de vergankelijkheid van het vegetale nog
sneller op natuurlijk?
Ost: Inderdaad maar ook mijn eigen eindigheid wordt
dan in de verf gezet.
Hebt u ook een lievelingsplant of –bloem?
Ost: Mijn favoriet is de witte lotus, een typisch
oosterse bloem. De tweede, de boompioen, is ook oosters. Maar
de derde, de papaver of klaproos, is dan weer iets van bij
ons. Met name diegenen die gewoon langs de berm staan vind
ik fenomenaal.
JE
KUNT MAAR GELUK GEVEN ALS JE GELUKKIG BENT
Bloemenwinkels zijn niet van alle tijden. Daniël Ost
geeft een voorzet naar het mogelijke ontstaan:
”Wanneer je morgen ergens in de Haute-Savoie verblijft
op een domein van 40 hectaren en je doet ’s morgens
de luiken open en ziet een Alpenwei vol bloemen, dan denk
ik niet dat je de behoefte voelt om even te gaan bloemschikken.
Je zal kijken en genieten. Op die plaatsen vind je ook geen
bloemenwinkels. De mensen leven er zo close met en dicht bij
de natuur dat ze er geen nood aan hebben. Bloemenwinkels kennen
hun ontstaan in grote steden waar mensen het contact met de
natuur verloren en via bloemen de natuur in huis brachten.
Net zoals bij vele mensen staan in mijn huis elke week bloemen
wat erg aangenaam is. Die bloemen volgen de seizoenen en vertellen
me zo zelfs in welke maand ik leef. Ik zie ze zeker niet als
kunst maar als het contact met de natuur, wetende dat wij
er deel van uitmaken.”
Ik las onlangs dat als men iedere dag een half uur
per dag naar bloemen of planten kijkt, men
amper nog stress zou kennen. Bent u het ermee eens?
Ost: Ik kan dat moeilijk beamen omdat bloemen en
planten in mijn leven al vaak de oorzaak van stress zijn geweest.
Maar ik ben dan ook bevooroordeeld. Dat is net hetzelfde als
een kok die anders naar het eten kijkt dan de klanten die
in het restaurant zitten te eten. Maar ik kan me natuurlijk
levendig inbeelden dat het florale dit effect heeft op mensen
die er niet dagdagelijks mee bezig zijn.
De zus van mijn vriendin zegt steeds dat ze jaloers
is omdat mijn vriendin vaak bloemen krijgt. Maar die laatste
zegt dan steevast: “Hij koopt ze niet voor mij maar
voor zichzelf.”
Ost: Ik vind dat verre van een slechte benadering.
Je kunt maar geluk geven als je zelf gelukkig bent. Je kunt
niet weggeven wat je niet hebt. Als je ze koopt voor jezelf
en je geeft er een ander een goed gevoel mee, dan heb je twee
vliegen in één klap, nietwaar?
Koen Van
der Schaeghe
|