
JEAN PIERRE PIETERS VERWELKOMT U IN HET PARADIJS
ONTDEK HET ECHTE SENEGAL IN LES PALETUVIERS
Pal aan de Atlantische Oceaankust, in het noordelijke deel van Senegal en grenzend aan The Gambia liggen binnen een afstand van tien kilometer drie Belgisch-Senegalese charmehotelletjes. Een gebied van rust, gespaard van het massatoerisme in een door de Unesco beschermde mangrove-delta. De eilandjes lijken er met de losse hand uitgestrooid. De regio van Toubacouta is zwart Afrika op zijn best: wondermooi en ver weg van het gedrum in het drukke Dakar. Daar vind je Domaine Les Palétuviers, L’Île Des Palétuviers en Village Plage D’Or, alledrie hun eigen, aparte karakter. Ze staan onder de directie van onze landgenoot Jean Pierre Pieters. Hij ontdekte het aan de Afrikaanse Savanne grenzende gebied begin jaren ’90. Vandaag verdeelt hij zijn tijd netjes tussen Senegal en Europa, waarbinnen hij continu onderweg is om promotie te maken voor zijn gastenverblijven.
SENEGALESE OVERPEINZINGEN
Het leven is aan de durvers, dat zal Pieters, tot voor tien jaar bouwingenieur, ongetwijfeld beamen. Wie droomt er niet om na een aangename en verkwikkende vakantie op zijn bestemming te blijven? In zijn stoutste dromen, koopt zelfs de meest realistische reiziger een stulpje in een ver en zonnig oord. Dromen ja, maar tussen droom en daad staan meestal praktische bezwaren, sociale verplichtingen en familiale protesten. “Toen mijn echtgenote en ikzelf samen met drie bevriende koppels als toeristen nabij Parc National du Sine Saloum in de brousse van Senegal belandden, ervoeren wij de Senegalezen als buitengewoon sympathiek. De populaire uitstapjes lieten we links liggen en kozen resoluut voor authenticiteit. We maakten lokale vrienden met wie we coördinaten uitwisselden. Het was een uitzonderlijke en harmonieuze reis. Twee volle jaren gingen voorbij toen we vanuit Senegal gecontacteerd werden om te melden dat een campement, Les Palétuviers, dat we tijdens onze reis bezocht hadden, destijds in handen van Franse uitbaters, te koop stond. Wij met z’n achten terug naar Senegal. Niet dat we actief broedden op het idee om er een eigen zaak op te starten, maar toch. Ter plaatse bleek de man niet echt overtuigd om te verkopen maar zijn echtgenote en kinderen des te meer. Zij wilden absoluut terug naar Frankrijk. De gesprekken modderden aan en twee koppels hielden het voor bekeken. Toen het na een klein half jaar echt menens werd, viel ook het laatste koppel af en bleven Christine en ikzelf als enigen over. Op 1 mei 1994 namen wij Domaine Les Palétuviers, wat de Franse benaming van mangroven is, over.”
CHARMEPAVILJOENEN
”De eerste twee à drie jaar woonden wij zo goed als permanent in Senegal. Om te verbouwen en omwille van de kinderen. Pendelen was niet evident omdat we drie schoolgaande kinderen hadden. Om aan de kwaliteitsnormen van touroperators te voldoen renoveerden we het domein. Er stonden een aantal bungalows, maar deze waren zeer summier. Later werden ook extra kamers bijgebouwd. Onze hotels runnen zonder grote reisorganisaties is bijna onbegonnen werk, te meer omdat onze verblijven zich midden in de brousse bevinden en we dus helemaal niet kunnen terugvallen op het bestaande toeristennet. Toubacouta is een klein stadje midden het oerwoud en telt 2.000 inwoners. We moesten ons domein aan de rand van Toubacouta, dat zich op tien meter van de eerste hutjes van de lokale bevolking bevindt, aanpassen aan de gangbare Westerse normen en het potentiële cliënteel ervan overtuigen dat hoewel we in het midden van de wildernis gelegen zijn, niemand bang hoeft te zijn van koppensnellers. Het resultaat is een Afrikaanse verrassing met Europese trekjes. Wij leveren het bewijs dat je ook in the middle of nowhere terecht kan voor een fijne keuken en een zwembad. De gastenverblijven liggen verspreid in een groot bomen- en bloemenpark. Wij wonen er samen met en tussen de lokale mensen. Ook de gasten kunnen de hele dag door en zelfs ’s nachts tussen de hutten wandelen en in het dorpje vertoeven. De Sine Saloum delta is nog ongerept en ongecompliceerd. Geen knorrige, schooiende of arrogante verkopers die men in, door massatoerisme uitgemolken, toeristische centra ziet, maar breed glimlachende zwarte gezichten. ‘Non, merci’, hoef je dus niet te zeggen maar met wat schoolgerief uit Europa maak je hen wel de koning te rijk.”
Dat logeren aan zee niet noodzakelijk eentonig hoeft te zijn, bewijst Pieters met zijn drie verschillende concepten. In de periode dat de Fransman twijfelde over een eventuele verkoop, verkende Pieters de streek. Op één van de talrijke eilandjes voor de Senegalese kust zou hij een tweede hotelletje bouwen met 14 bungalows. Dat werd L’Île Des Palétuviers. “Het ziet er helemaal anders uit. Daar waar we in Toubacouta in de onmiddellijke nabijheid van de Senegalezen, doch heel veilig, vertoeven, ligt ons hotel op het eiland meer afgezonderd. De kamers bevinden zich bovenop de hoogste duin met een adembenemend zicht over de eilanden. Op vijftien minuten wandelen heb je een eerste klein dorpje van een dertigtal inwoners.” Er zijn amper mensen op dat eiland te bespeuren maar niettemin is er een zee aan mogelijke uitstappen en te ontdekken activiteiten. Het derde en laatste gastenverblijf bevindt zich op een boogscheut van de Gambiaanse grens. “Het omvat slechts zeven bungalows die bewust niet over elektriciteit beschikken. We willen Village Plage D’Or, want zo heet deze idyllische plaats, helemaal niet commercialiseren. Het is een heel aparte locatie met een erg smal strand. Hier wor+den vooral tweedaagse trips naartoe georganiseerd. Vanaf het eiland of het domein worden de gasten, een kok, olielampen en enkele koelboxen gevuld met eten en drinken per boot naar het kleine paradijs gebracht. Onvergetelijk zijn de avonden aan het kampvuur waar de bewoners van het nabijgelegen dorpje komen dansen zolang u dat wenst. Het is erg intiem en men kan er enkel maar naartoe als er niemand anders is.”
VOOR ANKER IN HET ECHTE AFRIKA
Senegal is het land van zanger Youssou N’dour en de rally Parijs-Dakar maar Pieters heeft vooral een boon voor het oorspronkelijke Senegal. Het échte Afrika zoals verteld wordt. “Het cliënteel dat wij voor ogen hebben, wil in eerste instantie Afrika beter leren kennen. Het merendeel kent Afrika enkel van de beelden op televisie en deze zijn vrijwel altijd negatief. De confrontatie met de realiteit is zo ontroerend dat velen onder hen tijdens de transfer naar de luchthaven schreien van emotie. Eigenlijk trekken wij geestesgenoten aan, niet de mensen die continue op het strand verzeild raken of enkel op vakantie gaan voor zon en zee, al zijn ze alledrie veelvuldig aanwezig, maar zij die voor de authenticiteit kiezen. Hotelgasten zoals wijzelf, die niet vies zijn van aardewegen en Afrika niet bekijken als een reservaat: reizigers die zich laten meevoeren op golven van tradities en respect voor cultuur en natuur. Wij verwelkomen allen die niet bang zijn om hun zintuigen te laten prikkelen. Dat kunnen ook gezinnen met kinderen zijn. In juli en augustus worden er kindersafari’s georganiseerd. Dat zijn onder meer uitstapjes naar de zwarte kindjes in het dorp die dan tonen wat hun mama en papa van werk doen. Ongelooflijk boeiend en op het einde van de reis weten de kinderen soms meer van de Afrikaanse cultuur dan hun ouders.”
Bonjour! en Ca va? zullen blanken veel aanhoren in de Senegalese straten. Frans is immers de officiële voertaal in Senegal - in tegenstelling tot het land waar het zich omheen vouwt, Gambia, dat een vroeger Engelse kolonie was – waardoor het toerisme er vooral Franstalige westerlingen aantrekt. Dan hebben wij als Belgen natuurlijk ons bekende steentje voor. “Als Belgische uitbaters (mijn echtgenote, ikzelf én Peter en Karien Van Laere, die de dagelijkse leiding hebben en er het hele jaar door vertoeven) zijn wij bijna de enigen die ook Engelstaligen aantrekken. Zelfs Spanjaarden, Portugezen en Scandinaven krijgen wij over de vloer. Bij vele buitenlandse uitbaters moeten de gasten zich aanpassen en op dat vlak hebben wij als Belgen toch net iets meer te bieden. Wij kunnen ons quasi tegenover iedereen verstaanbaar maken. Onze talenkennis maakt dat het voor mij ook nuttig is dat ik Les Palétuviers commercieel bekend maak van Noorwegen tot Portugal. Die Belgische openheid vertaalt zich ook naar de kinderen van Karien en Peter. Hun twee zoontjes van drie en zes jaar oud gaan naar school in de brousse. Op amper een jaar tijd spraken zij perfect Frans én de lokale Afrikaanse taalvariant, want onderling op de speelplaats praten de zwarte kindjes een inlandse taal.”
Naast de familie Van Laere heeft Pieters ook een Senegalese vertrouwenspersoon om op terug te vallen. “Na zes maanden ontmoette ik Pap, de zelfstandige boekhouder van de vorige eigenaar. Hij spreekt een aantal lokale talen, gaf me een enorm vertrouwen, is bloedeerlijk en een toffe gast. In Europa zegt men mij soms: ‘Je geeft je portefeuille toch niet aan een neger?’ Van het woord neger alleen al begin ik te gruwen. Ik vertrouw hem dan ook met veel plezier en zonder enige reserve mijn geld toe. Pap is bijna een broer voor mij met het enige verschil dat hij pikzwart is en ik bleek ben. Hij heeft me door het doolhof van de lokale overheid geleid. In je eentje als westerling, ben je hier jaren zoet mee en ben je op het einde van de rit heel wat geld kwijt aan fooien.”
BOOT DER TRAAGHEID
Er zijn zo van die momenten in je leven waarover een mens later terugdenkt als ‘Wat als ik toen dit of dat gedaan had?’ ‘Als ik toen geweten had wat ik nu weet?’ Gewoon doen zou je kunnen zeggen, maar zo eenvoudig is het uiteraard niet. Ook Pieters durft af en toe wel eens in de achteruitkijkspiegel te kijken, doch hij doet dat met erg veel voldoening. “Ik denk dat mijn leven een stuk saaier zou geweest zijn als ik in België gebleven was. In ’93-’94 is er een totaal nieuwe wereld voor mij opengegaan. Als je op reis gaat naar een ander continent, vind je daar alles heel bijzonder en speciaal. Maar als je er effectief ook dag in dag uit leeft, moet je de cultuur kennen. Die cultuur aanvoelen maakt het pas echt boeiend. Op termijn voel je je bijna Afrikaan maar dat vraagt wel jaren. Ik ben enorm blij dat ik de stap heb durven zetten en heb ook verschrikkelijk veel sympathie voor de Senegalezen. Ik kan onmogelijk kwaad worden op mijn personeel omdat ze zo fantastisch zijn. Ik ben blij dat ik van de, zoals men in België vaak zegt, sleur verlost ben.”
“Neemt niet weg dat het ook keihard werken is. Want Europeanen die op bezoek komen, willen naar Europese normen bediend worden. Als een bootje om 8u15 moet vertrekken en de schipper is er om 8u16 nog niet, dan is er een groot probleem hé. De eerste twee dagen moeten wij de gasten brainwashen om duidelijk te maken dat ze in Afrika zijn. Want het kost echt wel heel veel Vlaamse energie om de schipper en het kamerpersoneel duidelijk te maken dat als iets op een bepaald uur gepland is, dat het dan ook effectief op dat moment dient te gebeuren en geen twintig minuten of een uurtje later. Wijzelf zijn bij wijze van spreken van in de wieg gedrild om op tijd te komen en de dingen te doen die ons gevraagd worden, maar in Afrika is dat volstrekt niet het geval. Want morgen is er weer een dag natuurlijk.”
Koen Van der Schaeghe
Publicatiedatum: 08/03/06
|