
DE SIMULATIEWERELD VAN ‘FILOSOOF’
HANS VANGHELUWE IN MONTREAL
De wereldwijde referentie inzake simulatie- en modelbouwtechnieken
is een Vlaming. Prof. Hans Vangheluwe is zijn naam. Hij woont en
doceert in Montreal, Canada aan de School of Computer Science, een
onderdeel van de McGill University. Hij laaft er zich aan nieuwe
technieken, beweegt zich in een test- en simulatiewereld, maar is
allesbehalve een IT-junk. Montreal is een IT-centrum en Mc Gill
is een topuniversiteit, maar toch sluimert er af en toe een weifeling
in Hans’ stem. Blijven in Montreal of teruggaan naar Vlaanderen?
Het is een dubbel gevoel. “Uiteraard ben ik trots op wat mijn
studenten presteren op McGill, maar eigenlijk hebben Vlaamse studenten
identieke competenties.” Na het gesprek overheerst het gevoel
dat Hans in een tweestrijd zit tussen ratio en gevoel. Iets zegt
mij dat het gevoel ooit zal overwinnen. Vraag me alleen niet wannéér
we hem terug aan een Vlaamse universiteit mogen verwelkomen.
Momenteel
geniet Hans, die tevens VIW-contactpunt is van de Vlaamse regering
in Canada, van een sabbatjaar. Gedurende deze periode geeft hij
wereldwijd voordrachten en gastcolleges over virtuele prototypes
en simulatietechnieken. Tijdens één van zijn trips
door Europa kruist hij VIW en introduceert mij in de wondere simulatiewereld.
Modelbouw heeft iets speels en jongensachtig over zich, maar simulaties
bouwt men heus niet zomaar. Dure prototypes en tijdrovende fysieke
testmodellen worden erdoor vermeden. De automobielsector is een
mooi voorbeeld van een bedrijfstak waarin veel virtueel getest
wordt. “Tijdens het ontwikkelingsproces van een nieuwe wagen
is het niet uitzonderlijk om 90% van de wagen te simuleren. Deze
proefmodellen worden integraal met simulatiesoftware op de pc
gebouwd. Computergewijs worden misschien wel 100.000 experimenten
uitgevoerd die vroeger in werkelijkheid gebeurden. Het aantal
prototypes herleiden tot één, dat is het streefdoel.
Do it right, the first time. De toepassingen zijn oneindig. Onlangs
bezocht ik een collega wiens team een hybride wagen van een software-upgrade
voorzag, waardoor deze minder brandstof verbruikte. Dat is toch
mooi. Vanzelfsprekend worden simulaties niet enkel toegepast in
auto’s, maar ook in het verkeer: tunnels, ritsen, ronde
punten...”
Van McGill student tot McGill prof
Hans Vangheluwe heeft wel wat van een filosoof, de zelfrelativering
komt bij de IT-profeet vaak om het hoekje kijken. ”Meermaals
stel ik mezelf in vraag: voor wiens eeuwige eer en glorie werk
ik nu aan een Canadese universiteit? Misschien had ik hetzelfde
in Vlaanderen moeten doen? Ik gaf een tijdlang les in Gent, aan
erg goede studenten. Bekwame mensen die misschien niet hetzelfde
geluk hadden om, zoals ik in 1991 aan McGill, in het buitenland
te studeren. Dat was in het kader van een billateraal akkoord
tussen Vlaanderen en Québec. In die periode groeide bij
mij het besef dat ik wel kon meedraaien op internationaal niveau.
In die zin raak ik er steeds meer van overtuigd dat het human
capital in Vlaanderen onvoldoende uitgebuit wordt. De Vlaamse
competenties zijn echt gelijkwaardig, dat ervoer ik vijftien jaar
geleden al, want de overstap was minder extreem dan verwacht.”
“Aanvankelijk trok ik mijn ogen wel open. Het Canadese studiesysteem
is toch verschillend. Het referentiekader is anders. Het zou verrijkend
zijn, moesten meer studenten die kans grijpen. Misschien worden
Vlamingen onvoldoende blootgesteld aan buitenlandse kansen? Voor
mij was het alleszins een revelatie om in Canada te studeren.
Het is niet negatief om het klappen van de zweep elders te leren.
Het kan integendeel gevaarlijk zijn om protectionisme in het vaandel
te voeren. Je kan veel meer winnen door open te zijn. Vergelijk
het met publiek toegankelijke software: er is meer concurrentie
natuurlijk, maar dat verhoogt in het algemeen de kwaliteit. Dat
heeft men op McGill wel goed begrepen. Zij mikken doelbewust op
de instroom van buitenlandse studenten.”
“In 1999 ben ik aangeworven aan McGill omwille van mijn
specialisatie in modelbouw en simulatie. Ik mocht mijn eigen cursussen
kiezen en creëren. Onmiddellijk ontving ik dus ook gelden
waarmee ik echt van start kon. Een bewijs dat de overheid onderzoek
hoog inschat. De Canadian Foundation for Innovation voorzag bijvoorbeeld $300.000
voor de aankoop van computers. Dit is een mooi bedrag als je weet dat er in de informaticat die ik bedrijf geen grote apparatuur nodig is. Word je in Canada binnengehaald,
dan krijg je onmiddellijk alle middelen. De keerzijde van de medaille
is dat je dan ook echt moet bloeien en presteren, anders kan je
ook weer snel verdwijnen.”
Permanente verblijfsvergunning en
vaste benoeming
Hans’ vaste benoeming volgde reeds in 2002. In principe
is hij aangesteld voor het leven. Dat mag je in het Canadese onderwijs
letterlijk nemen zonder pensioenleeftijd. De oudste prof op McGill
is 92 jaar. “De eerste jaren beschikte ik over een werkvergunning,
waarna ik mijn permanent verblijf aanvroeg. Dat verliep echter
niet van een leien dakje. Mijn werkpermissie werd weliswaar telkens
verlengd, maar vanzelfsprekend was dat niet: de bureaucratie en
de gewijzigde regelgeving na 9/11 zorgden voor vertraging. Heb
je een gegeerde functie, een beroep waarvoor moeilijk geschikt
personeel gevonden wordt, dan gaat het sneller: een Vlaamse collega-prof
gespecialiseerd in ouderenzorg, had in minder dan een jaar haar
permanente verblijfsvergunning.”
De uiteindelijke overhandiging was tot voor enkele jaren trouwens
ook letterlijk een heel avontuur, zo blijkt uit Hans’ anekdote:
“Canada is een land dat leeft van immigratie en dan is het
toch merkwaardig dat de allerlaatste stap naar die felbegeerde
vergunning buiten het land ligt. Je moet er immers letterlijk
Canada voor verlaten. Midden in de winter reden wij met een 4x4
naar Buffalo in de Verenigde Staten. Daar gaf ik mijn visum voor
Canada op en ontving mijn permanente verblijfsvergunning. Het
opzet hiervan? Moest je in laatste instantie niet meer welkom
zijn, dan heeft Canada geen probleem om u uit te zetten. Velen
keren hiervoor dus terug naar Europa. Wij vertrokken op een winterse
avond, reden de hele nacht door een sneeuwlandschap, bleven een
dag in Buffalo en keerden terug naar Montreal”, lacht Hans.
In principe wordt men pas het zevende academiejaar vast benoemd.
Maar omdat Hans reeds heel wat ervaring had, werd hij vervroegd
en na drie jaar benoemd. Dat klinkt mooi, maar maakte het er niet
makkelijker op. “De procedure houdt in dat je een dossier
samenstelt, bijna vergelijkbaar met een doctoraat, waarin je je
onderzoek beschrijft. Dit aangevuld met feedback van de studenten
aangaande de lesmethode. Zij zijn eigenlijk mijn engines of production.
Of je al dan niet wordt aangesteld, beslist een internationaal
comité. Je moet kunnen aantonen dat je tot de top-10 van
de wereld behoort. Mijn dossier werd dus naar experts van over
de hele wereld gezonden. Samengevat komt het erop neer dat je
in dienst treedt op basis wat je elders presteerde. De vaste benoeming
komt er op basis van wat je op McGill bereikte. Daarom is die
vervroegde procedure niet altijd een voordeel. Andersom heb ik
collega’s gekend die reeds na drie jaar te horen kregen
dat ze beter op zoek konden naar een andere job. Er worden geen
doekjes om gewonden.”
Montreal als kennis- en ontwikkelingscentrum
Hans is bijna onredelijk bescheiden als ik hem met bovenstaande
uitspraak confronteer. ”Ik, tot de top behoren? Dat is allemaal
heel relatief. Neem de top-10 van de informatici, daar behoor
ik zeker niet toe, maar de top-10 in mijn specialiteit…
misschien. Het hangt allemaal af van hoe je dat bekijkt. Je kan
het zo verengen dat je slechts een groepje van vijf krijgt, dan
ben ik nummer één. Neem dat dus maar met een korreltje
zout. Dat neemt niet weg dat het een erg competitieve omgeving
is. De jongste jaren werd de aanwerving trouwens nog selectiever.
Moest ik vandaag solliciteren, weet ik niet of ik zou uitverkoren
worden.”
McGill’s naam en faam maken dat de studenten in de rij staan
om er aan de slag te mogen. Niet enkel onder de proffen, maar
ook onder de studenten is er competitie. De toegangsvoorwaarden
voor kandidaat-bachelors liggen zeer hoog. Op het einde van hun
middelbaar moeten zij uitkomen met minimum 87%. Dat is al niet
evident, maar om door te stromen naar de masters en eventueel
een doctoraat is men nog selectiever.”
Nochtans is McGill het doel van velen. McGill verwelkomt studenten
van over de hele wereld en concurreert met gerenommeerde Amerikaanse
instellingen die de jongste jaren erg leden onder de verscherpte
voorwaarden door de aanhoudende terreurdreiging. “Mede daardoor
is het vandaag in Noord-Amerika de universiteit met het hoogste
percentage buitenlandse studenten. Montreal heeft sowieso een
zeer hoge verhouding universiteit- en hogeschoolstudenten ten
opzichte van de totale bevolking. Dat zoveel bedrijven, die wereldwijd
rekruteren, in Montreal een vestiging openen ligt voor de hand.
Ze zitten er met de neus op hun potentieel. Die boodschap wil
ik ook graag overbrengen aan de Vlaamse regering. Als Vlaanderen
zich vandaag meer wil profileren als een kenniseconomie, waarin
het menselijk brein de voornaamste motor van de economische groei
is, moet het als dusdanig zoeken naar een balans tussen universiteiten
en bedrijven. Het is logisch dat als je probeert om de beste mensen
wereldwijd binnen te halen, je ook iets aanbiedt. Het resultaat
zal navenant zijn. Kijk maar naar Quebec.”
Als de Canadese regering en de provincie Quebec verklaren dat
innovatie belangrijk is, blijken dat geen loze woorden. De Canadese
federatie geeft geld aan onderzoekers en Quebec gaat nog een stap
verder. “De highly qualified workers, universiteitsprofessoren
behoren daarbij, betalen de eerste vijf jaar geen regionale belastingen,
wat de totale belastingdruk halveert. Dat geeft toch het gevoel
dat je echt welkom bent als prof. Als ze u echt willen, gaan ze
daar ver in. Geen enkele overheid kan intellectuelen verplichten
hun regio uit te kiezen. De politiek kan ze wel aanmoedigen met
een flankerend beleid en een innovatievriendelijk klimaat. Dat
werkt trouwens kruisbestuivend met de ondernemingswereld. Recent
nog besliste de Duitse multinational SAP om haar vestiging in
Montreal te vergroten omdat het daar zeker is van afstuderende
studenten. Ik werk vanuit Montreal samen met wereldwijd de grootste
ontwikkelaar van commerciële simulatietools in Boston. Het
merendeel van mijn afgestudeerden gaat daar aan de slag. Dat is
interessant voor mij én mijn studenten. Zij krijgen er
superjobs en verdienen er vanaf dag één meer dan
ik. Onze onderzoeken op McGill zijn direct toepasbaar in dat bedrijf.
Vergis u echter niet: met door het bedrijfsleven gesponsord denkwerk
heeft dit niet veel te maken.”
“McGill is, net zoals ikzelf, erg voorzichtig met spin-offs.
Als onderzoeker ben je namelijk in eerste instantie iemand die
met nieuwigheden voor de dag wil komen en studenten traint. Ben
je in die zin goed geplaatst om een bedrijf op te richten? Ofschoon
samenwerking met bedrijven erg nuttig is, moet er een zeer duidelijke
lijn zijn tussen onderzoek en industrie. Ik geef de voorkeur aan
zogenaamde fellowships, bedrijfsbeurzen met no strings attached,
zonder tegenprestatie. Ondernemingen geven beurzen aan studenten
die dan aan de universiteit kunnen werken en die later misschien
in dat bedrijf terecht komen, omdat zij ideaal geplaatst zijn
natuurlijk.”
Horizonten
verruimen
Hans koos voor een internationaal podium, niet voor de schijnwerpers,
maar voor de inhoud. Hij is filosofisch en joviaal. Hij leeft
met een Vlaams joie de vivre en samen met zijn Indische echtgenote
in het centrum van de stad. “Montreal is echt een metropool.
Het is zogezegd de meest Europese stad van Noord-Amerika, maar
ik ervaar ze toch als Amerikaans. New York in het klein, wat je
onder klein kan verstaan natuurlijk. De onderstroom is Amerikaans
met ja, omdat het Quebec is, wat Franse flair die af en toe opsteekt.
De invloeden in de stad zijn heel verscheiden, maar toch kan je,
indien je echt wilt, de stad in een eerder Engelstalig en Franstalig
deel opdelen”, weet de professor-filosoof.
“Carrièregericht is het dé perfecte locatie,
maar qua levenskwaliteit is het geen vergelijking met België.
De gezondheidszorg is er dan wel gratis, de wachtrijen zijn ellenlang.
Qua deugdelijkheid is men beter af in Vlaanderen en dan heb ik
het niet enkel ’s mans liefde die door de maag gaat.”
Hans is een expert in zijn vakgebied, maar past niet in een keurslijf.
Hij houdt ook van het andere Canada, het grootse en weidse langs
de Westkust met de Rocky Mountains en de meer Europese Oostkust
met onovertroffen natuurschoon. Dikwijls gaan we er kanovaren
omdat je er de luxe ervaart om met de kano op de rug van het ene
naar het andere meer te wandelen, van waaruit je weer 1000 km
verder kan. The sky is the limit, geldt ook hier hoor”,
benadrukt de aimabele Vlaming.
“Het is niet omdat je onderzoeker bent in de informatietechnologie
dat je met alle nieuwigheden meedoet. Vroeger gebruikte ik powerpoint
slides, maar nu schrijf ik terug met krijt op bord. Het gaat dan
wel wat trager, maar de studenten zien het denkproces. Ik zie
mezelf ook opschuiven en onbewust in Belgische richting evolueren.
Een, aan persoonlijk belang toenemend, deel van mijn onderzoek
is immers het toegankelijker maken van software. Afgelopen zomer
was ik in Hasselt, waar zich hét Belgische expertisecentrum
voor digitale media en in concreto user interfaces bevindt. Dat
is momenteel echt mijn ding, het modelleren van user interfaces.
En deze zitten overal, in de wagen, de radio, de gps,... De kwestie
is, hoe we deze complexe toepassingen gebruiksvriendelijk aanreiken.
Een zeer complex vraagstuk, waar ik graag op werk. Vanuit McGill
heb ik ook het genoegen te kunnen participeren aan de nieuwe generatie
Belgische elektronische identiteitskaarten en de veiligheid ervan.
Er werken specialisten cryptografie aan en ik zit er natuurlijk
voor simulatie tussen. Ideaal in deze zou zijn als je naar de
dokter gaat en gewoon je identiteitskaart kan geven. De dokter
heeft dan enkel toegang tot de voor hem relevante elektronische
gegevens. Wij zoeken dus een antwoord op de vraag: hoe stel je
de gecodeerde informatie slechts beperkt en selectief ter beschikking
tot bepaalde diensten?”
VLAAMS
TERUGKEERPROGRAMMA ODYSSEUS
De Vlaamse regering wil
met Odysseus, een terugkeerprogramma voor Vlaamse onderzoekers,
de scheefgetrokken balans opnieuw in evenwicht proberen
te brengen. Briljante jonge vorsers vertrekken vaak voor
een aanvankelijk korte onderzoeksperiode naar het buitenland,
voornamelijk naar de Verenigde Staten. Slechts tien procent
van hen keert later weer terug. Of zo’n onderzoeker
op wereldniveau nu terugkeert naar Vlaanderen of België
dan wel naar Nederland, Duitsland of het Verenigd Koninkrijk
gaat, hij of zij zal gaan naar waar men de beste kansen
krijgt voor zijn onderzoek. Duidelijkheid over hun toekomstperspectieven,
én de garantie op een stimulerende werkomgeving,
zijn belangrijk om hen te overtuigen. Daarom werd Odysseus
in het leven geroepen.
Tot welke wetenschappers
richt Odysseus zich?
• Topwetenschappers die internationaal erkend worden
als toonaangevend en die reeds een aanstelling aan een buitenlandse
universiteit hebben. Daar leiden ze een eigen onderzoeksgroep
met een vaste staf, meerdere postdocs en een aantal doctoraatsstudenten
(Groep I).
• Onderzoekers met het potentieel om door te groeien
tot internationaal toonaangevende status. Deze wetenschappers
moeten minimaal 3 jaar postdoctorale ervaring in het buitenland
hebben en vooraanstaande vakgenoten moeten ervan overtuigd
zijn dat ze het potentieel hebben om door te groeien tot
een internationaal vooraanstaande positie (Groep II).
De toelagen
Voor de eerste groep wetenschappers bedraagt de steun tussen
400.000 en 1.500.000 EUR per jaar (2.000.000 tot 7.500.000
EUR voor de periode van 5 jaar). De onderzoekers van groep
twee kunnen rekenen op een
bedrag tussen 100.000 en 200.000 EUR per jaar (500.000 tot
1.000.000 EUR voor de periode van 5 jaar).
De procedure
De Vlaamse universiteiten zorgen voor de selectie van de
kandidaten. Ze maken Odysseus bekend bij wetenschappers
wereldwijd. Vervolgens worden de kandidaturen ingediend
bij het FWO. Die stelt een internationale, multidisciplinaire
jury aan die per discipline wordt aangevuld met referenten.
Het is die jury die evalueert of een wetenschapper kan worden
toegelaten tot het programma.
Meer
informatie: www.viw.be/PDF/odysseus.htm
|
Koen
Van der Schaeghe
Publicatiedatum: 12/12/06
|