
BAGGERAAR
JAN DE NUL IN INDIA
DE ZWERVERSMICROBE IN WERELDBURGER GUY BAEYENS
Vlaamse baggeraars veroveren de wereld. Het is een actueel
gegeven. Er gaat amper een week voorbij of er wordt een nieuw megacontract
voorgesteld. Het gaat goed met de baggersector en aangezien grote
projecten in ons land dun gezaaid zijn, zoekt een baggeronderneming
zijn heil buiten de grenzen en zelfs in andere continenten. Hetzelfde
geldt voor de werknemers. Geen enkel Vlaams bedrijf zendt zo massaal
zijn zonen en dochters uit naar alle hoeken van de wereld, als Jan
De Nul. Eén van hen is Guy Baeyens, directeur van Jan De
Nul in India en tevens de geknipte VIW-vertegenwoordiger op het
Indiase schiereiland. De geboren Erpenaar is geëvolueerd tot
homo universalis. Een wereldburger dus? Ja hoor, want India is niet
het eerste en enige land dat Baeyens aan doet. Een gesprek.
IN
STAATSGANGEN EN OP WERFSITES
Guy
Baeyens beantwoordt niet aan het stereotype beeld van een baggeraar.
Hij heeft een kantoorfunctie en komt eigenlijk nauwelijks aan
boord van de mastodonten van Jan De Nul. Al moet u die kantoorfunctie
niet té letterlijk nemen. In praktijk is hij een noeste
veldwerker. Hij is net een Spartaan met een ongelooflijk savoir-vivre.
In India geeft hij leiding aan twee dozijn landgenoten, een twintigtal
Nederlanders en een goede tachtig Indiërs. “Ik vertoef
intussen zeven jaar in India. Ik ben hier gekomen toen niemand
het land als uitvalsbasis zag zitten”, gaat Baeyens van
wal. Vandaag ziet hij alle dossiers inzake India en de omringende
landen passeren. “Enerzijds ben ik op de werfsite om te
zien wat er gebeurt en anderzijds loop ik rond in staatsgangen
om te achterhalen wat er gáát gebeuren. Dat brengt
met zich mee dat ik heel wat moet reizen, met het vliegtuig soms,
maar vaak ook met de nachttrein. Ik leef eigenlijk als een zwerver”,
lacht onze landgenoot. “Mijn job bestaat erin een project
vanaf de conceptie tot de oplevering op te volgen. Dat begint
dus bij prospectie en marketing, het verkennen van de markt en
achterhalen welke plannen in de pijplijn zitten. Vervolgens worden
projecten geselecteerd die interessant kunnen zijn voor onze firma,
want iedere speler op de markt legt zijn eigen accenten. Minder
complexe aanbestedingen zijn ook vaak voorbestemd voor inlandse
bedrijven die voorrang genieten én over een degelijke knowhow
beschikken”, voegt Baeyens eraan toe. “Dan volgen
heel wat procedures, onderhandelingen en eventueel een compromis
zodat het werk kan starten. Eens de toekenning een feit is, ben
ik verantwoordelijk voor de goede afloop van het werk op niet-technisch
vlak.”
Net zoals zijn collega’s is Baeyens erg mobiel. ”Momenteel
werk ik vanuit Chennai, maar ik ben minstens zestig procent van
de tijd onderweg. Voordien woonde ik vier à vijf jaar in
Bangalore. Ik heb ook langere tijd in Calcutta, Bombay, Dabhol
en Tuticorin verbleven. Eigenlijk zowat in heel India behalve
in het hoge noorden, tegen de Pakistaanse grens.” Hij verdeelt
zijn tijd tussen India en een aantal omliggende landen. Als directeur
van de Zuid-Aziatische regio bestrijkt Baeyens immers ook Pakistan,
Bangladesh, Nepal, Sri Lanka, de Maledieven en Bhutan. “Alleen
in Bhutan was ik nog nooit. Het is een moeilijk toegankelijk en
vrij duur land. Vooral het visum is erg kostelijk. Ze willen immers
de garantie dat je er veel dollars spendeert”, lacht de
gedreven prater.
INDIA ALS OPKOMENDE MARKT 
Jan De Nul, dat zijn naam ontleent, aan zijn oprichter, heeft
zijn plaats veroverd in de top vier van de internationale baggerwereld.
Net als zijn concurrenten is het bedrijf massaal aanwezig in de
baggergoudmijn van het Midden Oosten. “Daar rollen de miljarden,
maar dat wil geenszins zeggen dat India, na China, wereldwijd
de grootste economische groeipool, geen grote projecten kent.
De eenzijdige beeldvorming omtrent India is het probleem”,
klaagt Guy Baeyens. “De heilige koe en de vele rituelen
zijn nog wel aanwezig, maar de Indiërs zijn de jongste jaren
veel pragmatischer geworden. India klautert langzaam maar zeker
uit het dal en is anno 2006 reeds veel meer dan het arme land
waarvoor het té vaak wordt afgeschilderd. Eens de omvangrijke
middenklasse een bepaalde welstand geniet, is India als economische
grootmacht niet meer te stoppen. Indiërs willen echt vooruit,
ze willen ook leren van Westerse bedrijven. Want de volgende keer
willen ze het zelf doen”, waarschuwt de Oost-Vlaming. “Niettemin
is het nu meer dan ooit hét moment om te investeren in
India. De regelgeving voor buitenlandse bedrijven is trouwens
versoepeld.”
Met het potentieel van India in het achterhoofd mag het niet verbazen
dat het land momenteel verschillende werven van baggeraar De Nul
telt. Met het grootste baggerproject zitten De Nul en Baeyens
vandaag in Gujurat. “Het is het uitbaggeren van een haven,
waarmee we aan landwinning doen om een containerterminal te bouwen.
Het is een opdracht die minder tot de verbeelding spreekt dan
het uitbreiden van een strand in Mexico of het aanleggen van eilanden
in Dubai. Het is wel een werk dat ongeveer zeven maanden tijd
in beslag neemt. Na deze periode verhuizen werknemers naar een
ander project of werf. Het zijn niet alleen uitbreidingswerken
zoals dit of eenzelfde in Tuticorin, maar ook het aanleggen van
een volledig nieuwe haven.
U zou het hem niet nageven als u Baeyens zonder veel poeha hoort
vertellen, maar hij is wel degelijk met miljoenenprojecten bezig.
Een werk van zes maanden vraagt in totaal ongeveer negen maanden
voorbereiding en afhandeling. Een opkomende markt als India biedt
bedrijven heel wat kansen, maar net als alle andere landen heeft
het ook een eigen regelgeving, problemen en uitdagingen. “Op
vlak van milieu en veiligheid bijvoorbeeld is India echt wel mee
hoor. Al worden sommige aspecten anders opgevat en daarvoor hebben
wij lokale medewerkers. De coördinatie en opvolging daarvan
is ook mijn verantwoordelijkheid.”
EEN CONTINENT IN EEN LAND

De nood aan diepzeehavens en toegankelijkheid in India is de jongste
jaren erg toegenomen, dus profiteren baggerbedrijven mee van die
groei. Op die manier levert Jan De Nul ook zijn steentje bij tot
de ontwikkeling van het land. Guy Baeyens nuanceert wel: ”Dat
wij de lokale ontwikkeling een handje helpen met ons werk, zal
ik zeker niet ontkennen. Maar de eer hiervoor dient ons niet toe
te komen. Het zijn de Indiërs zelf die de plannen maken,
hun wegennet uitbouwen en bovenal hun haveninfrastructuur uitbreiden.
Momenteel telt dit land 13 grote en 58 kleinere havens. Het gebeurt
wel vaker dat een havenwerf zich vrij ver van een stedelijke omgeving
bevindt. Als zo’n haven een financiële injectie krijgt,
komt er ook leven rond die haven. Een dorp, waarvan de bevolking
aan de slag kan in de haven, is aantrekkelijk en kan zo als het
ware groeien tot een stad.” Havenactiviteiten groeien vaak
uit tot groeipolen, waar allerlei ontwikkeling zijn opgang kent.
De overheid zorgt voor treinverbindingen tussen de diverse havencentra.
“Een beetje zoals in Europa eigenlijk, maar dan veel ruimer.
Er worden trajecten overspannen met een lengte gelijk aan de afstand
tussen Denemarken en Spanje. Men maakt niet enkel een sprong in
afstand maar ook in cultuur.
“Een West-Bengaal bijvoorbeeld heeft de beste humor en is
verbaal erg goed. Qua werk zijn ze dan weer minder attractief.
Voor ondernemerszin moet je in het noorden zijn, in Bombay bijvoorbeeld,
terwijl in het zuiden de harde werkers wonen. De meeste Indiërs,
deze rekruteer ik zelf, zijn van deze streek afkomstig. Zij zijn
werkzaam op de site zelf. Grosso modo werken Indiërs heel
hard, steken ze veel geld in hun eigen gemeenschap en denken als
geen ander aan de toekomst. Het mentaliteitsverschil tussen noord
en zuid ondervind je mettertijd. In het noorden is men erg punctueel
en is een Zwitserse klok geen overbodige luxe. Daar waar business
in het zuiden eerder persoonsgebonden is, is het in het noorden
echt wel kennisgebonden.
HET BAGGERLEVEN IS MAAR WEINIG POPULAIR
Als we even in de tijd terug gaan, zien we dat Guy Baeyens voor
een lokaal Belgisch bouwbedrijf werkte toen hij stoemelings in
contact kwam met de internationale groep Jan De Nul. Hij kreeg
de vraag om de administratie te verzorgen van buitenlandse werven.
”Mijn eerste buitenlandse opdracht volgde amper een maand
na de aanwerving. Ik werd naar Mauritius, het meest Westerse Afrikaanse
land, gezonden. Ik verkaste
evenzeer 4,5 jaar naar Argentinië en tussendoor was ik nog
in Spanje, Pakistan, Maleisië en Singapore gestationeerd.
Toen mij de vraag, om als expat aan de slag te gaan, gesteld werd,
zag ik dat dadelijk zitten hoewel ik niet perfect wist wat het
zou inhouden. En eens de zwerversmicrobe in je bloed zit, is het
moeilijk om die er nog uit te krijgen. De ene doet het omdat hij
zich graag snel aanpast, de andere ziet het als een plicht om
anderen oorden op te zoeken. Dat virus krijgt je snel te pakken.
hoor”, bekent Baeyens
“Voor het eerst in het buitenland aan de slag gaan, is altijd
wel even wennen. Maar het voordeel bij ons bedrijf is dat je nooit
onmiddellijk voor de leeuwen wordt gegooid. Je komt bij collega’s
terecht die een brede buitenlandervaring achter de kiezen hebben.
De eerste jaren vertoef je onder erg goede begeleiding. In tegenstelling
tot de Indiërs op de werf worden de baggeraars op de schepen
en de supervisie-ingenieurs vanuit het hoofdkwartier in Aalst
aangetrokken. Belangstellenden kunnen er steeds aankloppen”,
weet de sympathieke Vlaming.
Het vrijmaken van een vaargeul, het uitgraven van een zeekanaal,
de heraanleg van een strand, het winnen van land op zee,... Het
is hard en veel werk en baggerbedrijven hebben het meer dan eens
moeilijk om de vacante arbeidsplaatsen in te vullen. Onze vriend
beaamt: “Het is inderdaad geen lachertje om de geschikte
mensen met de passende kwaliteiten en spirit te vinden. De sector
staat bekend om het harde labeur. Zes op zeven werken, vroeg opstaan
en lange dagen zijn de regels. Wij moeten echt bereid zijn die
inspanning te doen.”
Loontrekkenden die in het buitenland aan de slag willen, zijn
er altijd geweest en zullen wel altijd blijven bestaan. Volgens
Baeyens bestaat het grote verschil erin dat er vandaag veel meer
dan vroeger aantrekkelijke functies zijn waarvoor een werknemer
geregeld voor kortere periodes in het buitenland vertoeft. Ze
zien dat vleugje buitenland als een zoethoudertje voor lang gekoesterde
dromen. Baeyens: “Misschien laten werknemers eerder hun
oogje vallen op zulke betrekking dan dat ze met heel hun hebben
en houden verhuizen naar een ander land? Al is zelfs de impact
van de laatste optie niet meer te vergelijken met wat ze ooit
was. De intrede van e-mail en webcam luidde het einde in van weken-
of maandenlang afgesloten zitten van de buitenwereld. 9 of 10
jaar geleden was ik zes maanden van huis en kon slechts éénmaal
bellen. Vandaag doet één klik met de muis wonderen.”
PIED-Á-TERRE
IN INDIA
”Beroepshalve houd ik een databank bij van landgenoten die
hier verblijven. Dat loopt behoorlijk goed met als enige probleem
dat veel Vlamingen hier als expat slechts twee tot drie jaar blijven.”
Al zijn er uitzonderingen, mensen die zelf een zaak uit de grond
stampten of een hele generatie Vlaamse geestelijken die er reeds
meerdere decennia vertoeft. De VIW-vertegenwoordiger in India
krijgt soms wel gekke vragen. “Zo was er een pater jezuïet
die al 45 jaar in India woont. Na al die jaren kreeg hij in 2003
plots een stembrief. Die man wist noch wat hem overkwam noch wat
hij ermee moest aanvangen. Zijn voeling met de Belgische politiek,
laat staan met partijen die sinds lange tijd een andere naam hadden,
was volledig verdwenen.”
“De jongste jaren krijg ik enerzijds steeds meer vragen
van landgenoten en anderzijds vinden bepaalde Indialiefhebbers
mij als VIW-vertegenwoordiger nog te weinig. Daarom plan ik om
op een korte termijn een informatieve website op te zetten. Samen
met Flanders Investment & Trade zal ik ook jaarlijks én
in het noorden én in het zuiden één grote
activiteit op poten zetten. Omdat India zo uitgestrekt is en velen
hier maar voor een korte periode blijven, vraagt dit wel wat organisatie.”
Koen Van der Schaeghe
Publicatiedatum: 08/03/06
|